Translate

zondag 6 augustus 2017

REGELMATIGHEDEN, TAAL EN WAARNEMEN


We denken in taal en de taal denkt in ons. Je hebt lichaamstaal, gebarentaal, kleurentaal vormentaal etc.. Wat is taal, wat is de oorsprong van taal? 

Grofweg honderdduizend jaar geleden waren de hersenen van de mens (mensachtigen) ver genoeg ontwikkeld voor het ontstaan van taal. Men ging dingen verklanken, benoemen, voorwerpen etc. . Deze ontwikkeling betekende een revolutie, jachttechnieken verbeterden door meer communicatie, werktuigen verbeterden en nog later ontstonden de eerste creatieve uitingen, getuige de grottekeningen.

Waarom is deze voorstelling van zaken fout?

Het volgende ter verduidelijking.
Grofweg vijftig miljoen jaar geleden was de echolokatie van vleermuizen ver genoeg ontwikkeld zodat ze ook ’s nachts gingen vliegen.
Grofweg 30 miljoen jaar geleden kregen walvisachtigen vinnen zodat ze in zee gingen leven.



Hier treedt de redeneerfout duidelijker aan het licht. Vleermuizen kregen echolokatie omdat ze ’s-nachts vlogen, walvisachtigen kregen vinnen omdat ze al in zee zwommen.
Iets soortgelijks geldt voor taalgebruikende organismen, taal is niet in de hersenen ontwikkeld, maar andersom, hersenen ontwikkelen zich omdat ze met taal bezig zijn. Zoals walvisachtigen in zee gingen leven, duiken organismen als het ware in de taal. De omstandigheden in de zee vereisen vinnen, de omstandigheden van de taal vereisen adequate hersenen, een ontwikkelde frontaalkwab bijvoorbeeld. Wel is er sprake van wederkerigheid, taal ontwikkelt hersenen, geschiktere hersenen ontwikkelen taal, een soort zichzelf instandhoudend multipliereffect.

Bij onderzoek (ongeveer in 2011) van Londonse taxichaufeurs is gebleken uit MRI scans dat er tijdens het studeren op de uitgebreide informatie, nodig om aan de slag te mogen gaan als taxichaufeur, meer grijze massa werd aangemaakt in de hippocampus en het geheugen van de deelnemers vervolgens verbeterde. Verwerkingen door de chaufeurs van de infrastructuur van London heeft invloed op de hersenontwikkeling. Hetzelfde geldt voor de verwerking van de infrastructuur van taal zou je kunnen zeggen. De infrastructuur van taal is iets wat gedurende duizenden generaties is ontstaan. Iets dat in feite wortelt in de evolutie van het leven vanaf het eerste begin.


Hersenen vormen zich naar de infrastructuur van de taal.
Evolutie draait niet alleen om overleven maar vooral ook om baltsgedrag van mannetjes en vrouwtjes. De taligsten planten zich het vaakste voort. Taal speelt een belangrijke rol in het baltsgedrag van mensen. Denk aan complimenten, humor, liefdesgedichten, zingen, zwoel gepraat, lichaamstaal etc.. De taal houdt zichzelf op deze manier instant en een taalinfrastructuur vormt zich gedurende generaties.


Baltsgedrag
 
Op deze manier vormt de taalinfrastructuur ook de hersenen gedurende generaties. Dat proces is nog steeds bezig. Een soort stroomversnelling met betrekking tot hersen/taalontwikkeling moet er op enig punt in de geschiedenis wel geweest zijn, misschien ongeveer 100.000 jaar geleden.
Taal heeft alles te maken met de regelmatigheden (hiermee bedoeld ook de regelmatigheden in de onregelmatigheden) in de wereld. In een wereld zonder regelmatigheden zou taal zinloos zijn. Elk voorwerp zou telkens anders zijn, elk combinatie zou anders zijn, elke gebeurtenis zou anders zijn dan andere. Begrippen met vaste woorden zouden niet bestaan. Er zou maar één woord bestaan, chaos, taal zou als het ware niet plakken en onmogelijk zijn. Ook inductie zou onmogelijk zijn, bijvoorbeeld morgen komt de zon weer op want dat doet hij elke morgen. Een al dan niet met taal verbonden signaal, bijvoorbeeld een geluid (woord), kleur, geur etc. hoort bij een regelmatigheid.


Aan de wortel van de taal en de daar bijbehorende hersenontwikkeling ligt dus de regelmatigheid gecombineerd met een reactie daarop. Deze reactie kan dus een klank, geur, kleur gebaar of wat dan ook zijn. Het feit dat er taal bestaat zegt iets over de wereld.
Bloemen gaan open als reactie op de regelmatigheid het opkomen van de zon. Hanen kraaien als reactie bij het opkomen van de zon.



 
Haan van Picasso
 
Regelmatigheid en reactie zijn niet altijd even duidelijk. Een marsbewoner zou kunnen denken dat stoplichten reageren op de situatie van het kruispunt. Als het veilig is om door te rijden springt het op groen. Het is echter andersom, omdat het op groen springt rijdt men door. Combineer miljarden grote en kleine reacties op regelmatigheden en de door deze reacties die nu zelf regelmatigheid zijn, op hun beurt veroorzaakte reacties tot een samenhangend systeem en je krijgt een taal. Met woorden, gebaren, kleuren, geluiden, vormen, tekens maar andere media zijn ook te verzinnen. Het systeem, de manier waarop je combineerd is de syntaxis. 

Taal is een communicatiemiddel. De ontwikkeling van taal heeft alles te maken met het geven van signalen. Sommige zoogdieren en vogels geven elkaar doelbewust signalen zonder dat je nog van een echte taal kunt spreken. Apen kunnen elkaar zelfs bewust bedriegen met valse signalen. In de evolutie gaan aan bewuste signalen, instinctieve automatische signalen vooraf, signalen die een dier instinctief geeft als zich iets voordoet. Een haan moet kraaien als de zon opkomt, bij een zonsverduistering doet hij hetzelfde, het is een instictief automatisme. Het kraaien maakt als het ware deel uit van de waarneming van de ondergaande zon. Vraag is inhoeverre je het kraaien nog als signaal kunt aanmerken, hij ziet en hij kraait. Wij onderscheiden bij de haan waarneming en signaal en zeggen bij zonopkomst kraait hij. Vanuit de haan is het echter één proces. Vogels, vissen, garnalen, zeesterren etc., allemaal kennen ze reflexmatige signalen. Nog verder terug in de evolutie gaan de reacties op gebeurtenissen die steeds plaatsvinden maar ook in onze ogen geen signaal meer zijn.

Wikipedia

Een plant gaat open bij opkomende zon. Het opengaan van de plant vindt plaats bij het waarnemen van de zon door de plant, of beter gezegd is het waarnemen van de zon door de plant.

Een veld met planten neemt als het ware als een serie sensors de opkomende zon waar doordat alle bloemen opengaan.
De sensoren die bijvoorbeeld die ons zicht regelen reageren ook als het ware “plantaardig” (“plantaardig” is like a plant) op licht. Zenuwcellen geven pulsen af bij lichtdetectie, net zoals als planten opengaan. Ze kunnen als het ware niet anders.

Wikipedia

De automatische reacties op gebeurtenissen als kraaien, blaffen, piepen worden bij voortschrijdende hersenontwikkeling steeds meer als het ware uit hun geconditioneerde context gehaald en aangewend tot bewuste signalen, zotdat deze signalen een leven op zichzelf gaan leiden en taal kan ontstaan.

Als je teruggaat in de evolutie verdwijnt het verschil tussen taal en waarnemen/perceptie (waarnemen in dutch and perception in English is the same word). Het kraaien van de haan is een inherent onderdeel van het waarnemen van de opkomende zon. Hij ziet en kraait reflexmatig het hoort bij zijn waarnemingstaal (inderdaad een fout gebruik van het woord taal, zie het als metafoor). The language of his perception.

Het opengaan van de bloemen is het waarnemen van de zon in de waarnemingstaal van bloemen. Hetzelfde geldt voor onze censoren en zenuwcwellen. Ons waarnemen is als het ware een soort “plantaardige” waarnemingstaal van onze sensoren. Ze reageren op hun manier op onregelmatigheden (licht, luchttrillingen). Bij de haan zorgen de censoren dan voor een kraaireflex.


Als wij horen trilt ons trommelvlies, daar kunnen we niets aan doen. We kunnen ons trommelvlies niet stilzetten bij het horen van slechte muziek, helaas. De reflexmatiege “waarnemingstaal” van het trommelvlies is trillen. Wijzelf hebben de keus om te zeggen “rotmuziek”. Ergens is de reflexmatige waarnemingstaal, het trillen van het trommelvlies losgekoppeld van echte taal, de reactie “wat een rotmuziek”.

Trommelvlies wikipedia

Bij taal worden dus de waarnemingen gekoppeld aan de van automatisme losgekoppelde signalen. We kunnen als we wensen zeggen “kijk de zon komt op”. 
Wanneer dat in de geschiedenis van de mens gebeurt is? Misschien zijn we geluiden van verschijnselen na gaan doen en zijn de oudste woorden onomatopeeën (sis, boem, splash etc.).

Taal en waarnemen wortelen aldus feitelijk in hetzelfde, waarneming is een reactie op een onregelmatigheid, taal is een reactie op de waarneming maar ook verwant aan een waarneming.
Taal beeldt de wereld niet af en het is ook geen eigen wereld. De oudste taaluiting was een onbewuste reactie naar aanleiding van een regelmatigheid/onregelmatigheid. In feite is waarnemen al een taaluiting bijvoorbeeld door planten en cellen op microniveau. Onze cellen reageren als het ware “plantaardig” en (ver)talen tot waarnemingen.

Taal zit wat dat betreft reeds in de eerste waarneming die ooit door een organisme is gedaan besloten.
Van onze taal/denken in het algemeen kun je niet zeggen dat hij de regelmatigheden van de wereld fout of goed afbeeldt. Als een bloem opengaat naar aanleiding van het opkomen van de zon dan is dat zo, daar valt geen waardeoordeel juist/fout aan toe te kennen, dat is nu eenmaal de waarnemingstaal van een bloem.

Hetzelfde geldt voor onze primaire perceptie, deze berust immers op miljarden bloemopengaan achtige reacties (the same reactions as opening of flowers) in ons zenuwstelsel.
Als wij morgenrood zien gevolgd door een gloeiende bol dan is dat zo. Zo openbaart zich de regelmatigheid opkomende zon aan ons. Iets anders kunnen we met onze zintuigen niet waarnemen. Alleen met de secundaire (talige) beoordeling van waarnemingen kunnen we fouten maken, als we bijvoorbeeld de zon voor de maan aanzien etc.. Ons geheugen is dan in de war.


Tegen een veld met opengaande planten kun je niet zeggen dat het fout op de zon reageert dus dat de waarneming van het veld door een wereld wordt veroorzaakt die anders is dan het waarneemt. Het verschijnsel zon veroorzaakt nu eenmaal opengaan, verschijnsel en waarneming zijn één.
De regelmatigheid van het opkomen van de zon en opengaan van de planten is één proces, er is geen sprake van een veldwereld en daarvan afgescheiden een wereld. Bloemen kunnen niet anders dan opengaan, kraaien kunnen ze bijvoorbeeld niet. 


Evenzo de regelmatigheden waar wij op reageren. Het enige wat een bloem doet bij het opkomen van de zon is opengaan. Het enige dat ons zenuwstelsel doet bij een regelmatigheid is miljarden malen en gekoppeld bloemachtig reageren. Regelmatigheid (de zon) en reactie is één proces, daar valt geen waardeoordeel aan te verbinden.
Net als bloemen alleen kunnen opengaan en niet kraaien, kunnen wij horen, zien voelen, ruiken maar bijvoorbeeld niet gnuizen zoals de bewoners van de  denkbeeldige planeet Blor (wat dat is kunnen we ons niet voorstellen, zoals een totaal kleurenblinde die zo geboren is zich niet kan voorstellen wat een kleur is).

Maar net als bloemen geen onjuiste zonperceptie hebben ten opzichte van hanen hebben wij geen onjuiste reactie op regelmatigheden ten opzichte van Blorianen. De natuur als geheel echter gaat open als bloem, kraait, kan wat wij kunnen en wat de Blorianen kunnen. Niemand weet hoeveel manieren er zijn om de regelmatigheden van de wereld waar te nemen of nog zullen ontstaan. Als je een regelmatigheid op alle mogelijke manieren die er zijn zou kunnen waarnemen dan heb je de essentie, de waarheid te pakken. Niemand en niets kan dat.

Wat aan dit alles ten grondslag ligt, waardoor dit alles, taal en waarnemen gecreeërd worden zijn ontegenzeggelijk regelmatigheden of regelmatige onregelmatigheden. Vergelijk het met geluiden in muziek, ook een taal, niet de geluiden zijn daarin leidend maar de regelmatigheden (regelmatige onregelmatigheden) van het geluid. Geluid met heel weinig regelmatigheden/regelmatige onregelmatigheden) is geloei, gebrom of kakofonie. 


Gregoriaanse muziek Wikipedia
 
In zekere zin zijn de drie elementen, de regelmatigheden in de wereld, waarnemen en taal een eenheid. Er is nooit een vaststaand moment geweest dat de mensheid genoeg hersencapaciteit had om een taal te ontwikkelen die correspondeert met zijn waarnemingen, in die zin dat je kunt zeggen "toen had de mens geschikte hersenen voor taal, daarvoor niet". Taalvermogen en hersencapaciteit zijn gelijk opgegaan, wel waren er versnellingen in ontwikkelingen. Taal correspondeert niet zozeer met onze waarnemingen, taal wortelt in onze waarnemingen. Is daar een onderdeel van.

woensdag 8 maart 2017

TIJD IS GEEN BRIL


Wederom een speculatieve blog.

Vroeger was het heelal netjes en duidelijk, een ding in de eeuwige ruimte en tijd. Materie was de speler, ruimte en tijd het toneel. Sinds Einstein is die visie veranderd. Materie, tijd en ruimte interageren met elkaar. Er zijn zwarte gaten waar zich ongekende fenomenen voordoen met betrekking tot materie, ruimte en tijd. Materie is niet langer de speler in een ruimte/tijdtheater, het hele theater speelt mee. Ruimte, tijd, materie en krachten spelen één groot “spel”.

Er is als ware sprake van één grote Spinozistische substantie, Einstein refereerde ook aan Spinoza.
Laten we echter voor het gemak “tijd” isoleren. 
Vroeger bevond men zich in de tijd, men was als materie een speler in de eeuwige ruimte/tijd.
Toen gaf Kant ons een bril op.
Alles wat we kennen verschijnt aan ons dankzij die “bril”(van a-priori oordelen gevormd met behulp van de vormen van het verstand en zintuigen). Waardoor datgene buiten ons, "de wereld” a-priori gerangschikt wordt om aan ons te verschijnen zoals we deze wereld kennen. Met name met ruimte en tijd, die Kant als vormen van de zintuigen aanduidde. Die "bril" hebben we op omdat we met ons verstand (brein) en zintuigen tot een bepaalde soort horen. Zonder die bril bestaat er alleen maar één groot tijdloos "ding an sich" waarover we niets kunnen weten omdat het niet aan ons verschijnt. Objecten, soorten en andere specificaties maar bijvoorbeeld ook causaliteit nemen we dus alleen maar waar omdat ons verstand en zintuigen ons de wereld op een bepaalde manier laat zien.
Zonder die "bril" is de wereld dus onkenbaar volgens Kant.


Google bril, Wikipedia
 
Vreemd is dat hier sprake is van een bril die opgezet wordt door iets dat alleen door die bril zichtbaar is, namelijk een “soort”. Een bril tovert dus iets te voorschijn, dat datgene dat tevoorschijn is getoverd (soort) opzet om zichzelf tevoorschijn te toveren om die bril op te zetten etc. .
De Kantiaanse circel dus.


circel van kant Wikipedia
(Kant and lace is the same word in dutch :-))
 
Met tijd en ruimte is het nog vreemder gesteld. Tijd en ruimte zijn aldus Kant de vormen van de zintuigen. Maar dat kan nooit kloppen. We kunnen immers alles wegdenken, behalve tijd en ruimte, tijd en ruimte zijn we zelf, zonder tijd en ruimte zijn we er niet. Vanuit die positie kun je ook geen bril opzetten. Tijd en ruimte zijn de bestaansvoorwaarden, de bron van de zintuigen, van welke aard dan ook. Zintuigelijke waarneming is niet de bron van de tijd, maar tijd(en ruimte etc.) is de bron van zintuigelijke waarneming. We voegen tijd en ruimte niet toe aan onszelf, we zijn het zelf. 

Door Einstein blijkt dat tijd en ruimte geheel met materie verweven is.
Eerst werd dus gesteld dat we in de tijd leven. Kant stelt dat we met de tijd leven, onze zintuigelijke waarneming zou ons tijd laten beleven, het is een modus van de zintuigen. Ieder van ons draagt dus een eigen, maar wel overeenkomstige, tijds/ruimtebril mee.
In de huidige visie zou je kunnen zeggen dat we van de tijd zijn (vereenvoudigd omdat het begrip tijd dus niet te isoleren is zo blijkt). De tijd bezit ons niet wij bezitten de tijd (ruimte etc.).

In feite zijn we in ons denken een soort metselaars. Met het op de juist manier stapelen van bouwstenen bouw je een paleis, villa of kathedraal. Met digitale bouwstenen bouw je een computer en als je maar genoeg bouwstenen aansleept kun je ook een “mind” met tijdsbesef en intentionaliteit bouwen.
 
Bouwen met bouwstenen is een formele, procedurele activiteit.
John Searles schreef een artikel in 1980 “Minds, Brains, en Programs.
Met het beeld van een Chinese kamer toont hij aan dat er onderscheid is tussen formele (Chinese) taalkennis en intentionele taalkennis. Procedurale kennis, dus puur formele kennis berustend op het procedurele combineren van de juiste zinnen zonder de intentie te kennen. De lettercombinaties kloppen, de beelden en begrippen ontbreken, de manier waarop een computer taal kent. Een (niet Chinees kennende) ambtenaar in de kamer combineert feilloos de juiste lettertekens op basis van een handboek, zonder wat Searle noemt over intentionele taalkennis te beschikken. Als de ambtenaar het hele systeem compleet met handboek uit zijn hoofd leert dan zit het hele systeem welliswaar in een intentioneel wezen gevat, de ambtenaar zelf dus, maar is er nog steeds geen sprake van een intentioneel systeem. De ambtenaar kent zijn eigen taal echt, maar Chinees alleen tot en met de formele tekencombinaties.
Hoeveel procedurele elementen je ook combineert in bijvoorbeeld een computer, je zult nooit tot een “intentioneel”systeem komen. Intentionaliteit is, aldus Searles, een biologisch fenomeen, als fotosynthese of lactatie.

Fotosynthese

Wat hij met intentioneel bedoeld maakt hij niet duidelijk in het artikel.

De terechte kritiek van Searles is dat je imitatie en simulatie door elkaar haalt en dat het idee dat met formele en procedurele bouwstenen intentionaliteit kunt creëren berust op dualisme. Een materieel systeem genereert in dit geval een “mind”. Je hebt dus twee dingen, het materieel systeem en de mind.  

Intentionaliteit zit dieper in het systeem, zo werd met weinig succes vervolgens beweerd. Als je maar genoeg blijft stapelen en bouwen, tot op nano-niveau aan toe, zou je een intentioneel systeem krijgen. Een hoop niet altijd even zinnige dingen werden geschreven over “het Quantumbrein”etc..De Quantumwereld als een soort wonderwereld van waaruit veel verschijnselen die er in wortelen verklaard kunnen worden. 

Terug naar tijd. Volgens mij kun je een systeem tijd laten meten, maar nooit laten beleven. Een systeem is datgene wat het doet, maar kan nooit afstand van zichzelf nemen (in de tijd).
Een systeem kent alleen maar afgeleide tijd, wij beleven de tijd in een systeem. Volgens mij zijn wij, mensen en dieren, modules van de tijd (versimpeld beeld dus omdat tijd interwoven is met materie, krachten etc..). Een insect is tijd met een insectenmodule, een olifant tijd met een olifantenmodule en wij tijd met een mens (Jan, Piet, Kees) module.

Wat ons intentioneel maakt is dat wij niet samenvallen met onze eigen module. Als die niet of half werkt zijn we er nog. We kunnen er tegenaan kijken, zelfs een insect (misschien in mindere mate en insectenperceptie van tijd zal sneller gaan).
Wij zijn modules vanuit de tijd, de modules die wij maken zijn afgeleid en zullen nooit een eigen tijdsbesef krijgen. 


Modules
 
Interessant is Kant visie op rekenkunde en meetkunde als functies van tijd en ruimte. Dat is de rede waarom wiskundige en meetkundige waarheden ons overstijgen, het zijn functies van datgene wat we uiteindelijk zelf zijn. Als we sterven vindt er als het ware een lokale harde reset plaats, de tijd blijft voortbestaan en vormt nieuwe modules, misschien ook dankzij de eerder besproken denkfactoren. Wij dragen echter niet de tijd, ruimte en rekenkunde, tijd, ruimte reken- en meetkunde dragen ons. De tijd, ruimte, reken- en meetkunde in ons is dezelfde als die buiten ons, om met de Stoïcijnen te spreken. 


Cel Wikipedia
 
Hoe deze verbinding tussen tijd en leven in elkaar zit? We weten dat leven, zoals wij het kennen, een verbinding is tussen koolstof en elektromagnetisme is (dus inderdaad wel verschijnselen op nano-niveau). In een cel vinden elektromagnetische verschijnselen plaats. Wellicht zullen we meer van ruimte tijd en materie moeten weten om een en ander te duiden.

zaterdag 3 september 2016

OBJECTVORMEND OBJECT ALS DWANGBURCHT


Een bekende vorm van gezichtsbedrog is, dat als je in een stilstaande trein op een station zit, je dan denkt dat de trein waarin je zelf zit wegrijdt, terwijl het de trein naast je op de parallelle spoorbaan is die wegrijdt. Je kunt je ook voorstellen dat als je eigen trein wegrijdt, de trein stilstaat en het station met de hele wereld onder je vandaan beweegt.
Wikipedia
Hetzelfde geldt voor de beweging van hemellichamen. Vroeger dachten we dat de aarde stilstond en de zon eromheen draaide. We hebben toen de aarde om de zon laten draaien. Inderdaad, laten draaien, in het heelal is geen enkel referentiekader, je kunt de aarde met zon en al rond de maan laten draaien, je kunt de maan en aarde en alles rond een draaimolen op de maan laten draaien, net als je de hele wereld onder een trein kunt laten bewegen, al naar gelang het standpunt dat je inneemt.
Wikipedia
Het feit dat we de aarde rond de zon hebben laten draaien en uit het middelpunt van het heelal hebben weggehaald noemen we de Coperniciaanse wending. Kant sprak ook van een Coperniciaanse wending toen hij stelde dat onze waarnemingen zich niet naar de wereld richten, maar dat de wereld zich naar onze waarnemingen richt. Te kennen objecten richten zich naar de trancendentale kennisvoorwaarden van het subject. Buiten het menselijk kenvermogen houdt hij dan nog een onkenbare noumenale wereld over, een ding an sich, waarover we niets kunnen weten. Niet eens "dingen" an sich, want het onderscheid, dat afzonderlijke dingen voortbrengt, maar ook de toevoeging van ruimte, tijd, en de perceptie van oorzaak en gevolg, vindt pas bij de menselijke waarneming plaats, aldus Kant.
Copernicus, wikipedia
Bij Gottlieb Fichte wordt zelfs het ding an sich afgeschaft. Alles klapt als het ware naar binnen, reeds bij George Berkeley vond dat plaats. De Coperniciaanse wending van Copernicus zelf haalde de aarde uit het middelpunt, de filosofische Coperniciaanse wending leidde tot een neiging tot solipsisme, het idee dat er maar één enkel bewustzijn bestaat, dat van de waarnemer. Men kiest ervoor het hele universum als het ware om een draaimolen op de maan te laten draaien, een omgekeerde Coperniciaanse wending dus.

Draaimolen cubra.nl

Methodisch scepticisme, zoals bijvoorbeeld beoefend door Descartes en onderdeterminatie-argumenten (bijvoorbeeld brein in vat van Putnam) maken de zaak er niet beter op. Echt weerleggen van de daarbij horende argumenten is moeilijk, wellicht uiteindelijk onmogelijk, een andere en even plausibele manier van benaderen van de werkelijkheid is wellicht wel mogelijk. Laten we de waarnemer uit het midden van het heelal proberen te plaatsen.
Al deze opvattingen gaan uit van een stevig omgrensd uiteindelijk monistisch subject, waartoe geen “buitenwereld” door kan dringen. Waarnemingen, taal etc zijn een wereld op zich, binnen een soort dwangburcht, waar niets in en niets uit kan, het subject wordt tot ondoordringbaar object, een objectvormend object dat we menselijk subject noemen, een contradictio interminis. De eenzaamste en enige entiteit ter wereld.


Huis te Nuwendoorn 13e eeuw Dwangburchten.nl

Het subject is echter geen object, maar een gebeurtenis. Een gebeurtenis die er altijd al geweest is. Er wordt überhaupt gedacht, ook buiten onze hersenen. Vergelijk het met het begrip "productiefactoren" in de economie. Door het combineren van arbeid, kapitaal en natuur ontstaan producten. Tijd, ruimte, materie (veel verder te ontleden), krachten, natuurwetten en de wetten der logica/ wiskunde zou men analoog aan productiefactoren de denkfactoren kunnen noemen (en alles wat er is, inderdaad). Bij productiefactoren heb je nog een intentioneel systeem nodig, de mens om ze te combineren en producten te maken. De denkfactoren genereren het denken spontaan. Daar is geen intentionele god voor nodig. Ik heb het hier niet alleen over bewust denken, wie zegt dat denken perse bewust moet zijn? Bewustzijn en denken zijn verschillende dingen. Denken is een door mensen uitgevonden term, evolutie kun je op die basis rustig een onbewust denkproces noemen, zoals een computer ook denkt zonder bewustzijn. Er wordt door eliminatie en voortplanting op het beste geselecteerd. Denken is selecteren. Als je wat in ons hoofd plaatsvindt denken noemt moet deze selectie (van zetten in een schaakcomputer of van eigenschappen in de evolutie) dus ook denken noemen. Deze denkfactoren zijn in het heelal werkzaam, sterren, planeten, zwarte gaten, de evolutie allemaal uitingen van de denkfactoren, maar configureren ook ons eigen denken, brengen hun eigen intentioneel systeem voort door de biologische evolutie. 

Zwart gat wikipedia

Deze factoren maken geen onderdeel uit van ons, maar wij van hen. Ze zitten niet in ons, wij wonen in hen. Buiten de wetten van de logica bijvoorbeeld is er alleen krankzinnigheid. Hoe verder je van de logica verwijderd hoe minder denken die naam nog mag hebben, uiteindelijk verlies je de taal zelf. Als wij de logica verliezen, we worden bijvoorbeeld dement, dan blijft de logica zelf overeind, buiten ons.

Tijd en ruimte zijn geen modaliteiten van onze zintuigen, onafhankelijk van hoe de dingen werkelijk zijn, zoals Kant dacht. Tijd, ruimte, materie en krachten zijn nauw verweven, zo leert ons de natuurkunde van Einstein, het zijn geen onderdelen waarmee onze zintuigen de wereld benaderen, wij zijn zelf tijd en ruimte (en materie) die zintuigen gebruiken. Dit gold van de vroegste levensvormen af tot ons. Er zijn alleen gradueel en zintuigelijke verschillen tussen mens en dier.
De evolutie van de fiets, wikipedia

Wat wij bewustzijn/bewust waarnemingsvermogen noemen heeft alles met het gebruik dat tijd en ruimte van onze zintuigen en denkvermogen maken en niet andersom (dus met het gebruik dat zintuigen en het denkvermogen van tijd en ruimte zouden maken). Het is bij veel meer levensvormen aanwezig, wellicht reeds in een bepaalde vorm bij insecten. Hoe dat in zijn werk gaat? Niemand weet het maar het is stof tot nadenken. Vergeet niet, we hebben ook nooit kunnen ontdekken hoe tijd en ruimte onderdeel van het zintuigelijk waarnemen zou zijn geworden, wat dus niet waar is.
Nemen wij kenmerken van de dingen waar, jazeker we worden erdoor gevormd, we zijn het zelf.
Bewustzijn zijn de dingen, tijd en ruimte die ons "omringen", inclusief onze hersenen.

Joeri Gagarin, Kennislink
Vergelijk het met het volgende, Joeri Gagarin (dacht ik) zou tijdens zijn eerste ruimtevlucht opgemerkt hebben dat hij nergens God kon zien.
Zo zien hersenwetenschappers te beschrijven computerachtige functionaliteit, maar nergens bewustzijn/mens (of dier) in hersenen, daarvoor moet je ook naar buiten kijken.

zondag 15 mei 2016

THEATER

De tragedie Julius Caesar van Shakespeare wordt opgevoerd.
Het decor, de teksten, het verhaal en de spelers brengen de Caesar van Shakespeare tot leven, er zijn mensen die zich met hem identificeren, spanning voelen omtrent zijn (toneel)lot. Het theater is een gebeurtenis waar al dan niet verzonnen personen tot leven worden gewekt.
Hetzelfde geldt voor een tempel, kerk of heiligenfeest. Ook daar wordt in de hoofden van de mensen een bepaalde geest, een denkbeeldige godheid of heilige opgeroepen.


We verplaatsen ons naar 52 v. Chr. Julius Caesar zelf is bezig met de verovering van Gallië
Ook deze Caesar leeft in hoofden, en wel in zijn eigen hoofd en dat van zijn soldaten. In feite is ook hij zelf een gebeurtenis, een soort theaterfiguur, voor zichzelf en zijn soldaten. De gebeurtenissen scheppen hem. De politiek, de oorlog, de meningen van zijn tegenstanders, soldaten, familie, maar ook de biologische zenuwpulsen in zijn hersenen, de toestand van zijn ingewanden etc. etc..

Een enorme serie van gebeurtenissen vindt plaats die we later objectiveren tot de “persoon” Julius Caesar. Hij schiep zichzelf voor zichzelf, heel duidelijk in zijn geval, hij beschreef zijn daden zelfs in de 3e persoon in de Bello Gallica(hij, de man etc.).
Caesar schiep zichzelf dus bij zichzelf maar ook bij anderen. Zo zijn er honderden Caesars, één of zelfs meerdere in zij eigen hoofd, en honderden in de hoofden van zijn soldaten, tegenstanders, Shakespeare, gymnasiasten en lezers van de strip Asterix en Obelix.
Als het decor van de "gebeurtenis Caesar" anders was geweest dan zou er een andere persoon zijn geweest met andere kenmerken. Stel dat het decor van macht, geweld en rijkdom waarin hij handelde een decor van ziekte, honger, slavernij en armoede zou zijn geweest (voor anderen heeft hij een dergelijke decors wel geschapen).
Wat voor Caesar geldt, geldt voor iedereen. De mens is een biologisch, sociaal, ecologisch en geologisch theaterstuk, voor zichzelf en voor anderen, wij zijn een reeks gebeurtenissen. Hetzelfde geldt voor dieren, tot vissen, insecten en zelfs planten aan toe.

Het is niet zo dat de buitenwereld als een serie gegevens in onze hersenen binnenkomt, daar in een soort zenuwpulsentaal wordt omgezet en op een onnavolgbare manier in een bewustzijn wordt opgenomen, als input die in een computer wordt verwerkt.
Het hele theater is bewustzijn. De wereld genereert, nee, is, bewustzijn, er is geen buiten/innerlijk, ook komt bewustzijn tot stand door de hersenen maar ook die zijn uiteindelijk een element van het gehele theater. Onze begrenzing als persoon/hersenen van de buitenwereld is slechts schijn, op micro/ kwantumniveau blijft daar helemaal niets van over. Net als in een theater de decors, de maskers, het publiek, de tekst en de muziek de personages tot leven brengen,  brengt de wereld als zodanig ons tot leven, zowel voor onszelf als voor anderen en genereert zo bewustzijn.

Hamlet (digitalspy.com)
 
De wereld kent causaliteit, rede. Oorzaak, gevolg, wiskunde etc. Maar dat zijn geen relatieve en subjectieve zaken die alleen in ons bestaan en door onze hersenen worden opgeroepen, nee, wij bestaan in de rede. Wij zijn een functie van de rede omdat buiten haar denken geen denken meer is. Wij beheersen niet het denken, het denken beheerst ons.

Thomas Nagel vroeg zich in 1974 af hoe het is om een vleermuis te zijn. Functioneel kunnen we de echolocatie van vleermuizen verklaren. Hoe vleermuizen zelf echolocatie ervaren kunnen we niet weten.
Hetzelfde geldt echter voor onze kleuren. Een elektromagnetische golf van een bepaalde frequentie komt bij ons over als rood. Maar misschien zie ik rood waar een ander blauw ziet en noemt die ander wat ik blauw noem rood. Dit alles is gegeven het feit dat de functionaliteit intact blijft, als we bijvoorbeeld uitgaan van omkering van het spectrum (dat is met kleurenblindheid niet het geval, daar is de functionaliteit gestoord).


Wikipedia
Eén oplossing hiervoor stelt dat de roodheid geen eigenschap van de waarneming is, maar van hetgene dat je waarneemt. Niet de hersenen bepalen dat iets rood is, maar het waargenomen object, de buitenwereld. Mensen die deze spectrumomkering mogelijk achten zouden eigenschappen van de waarneming met eigenschappen van datgene dat we waarnemen verwarren.

(Hadoopi.wordpress.com)
Misschien zijn onze hersenen slechts filters van bewustzijn en eigenschappen buiten de hersenen. Een vreemd feit is dat we "falende" hersenentoestanden, door drugs of zuurstoftekort, als “bewustzijnsverruimend” omschrijven. Bewustzijnsonderzoeker Enzo Tagliazucchi schrijft in een artikel dat psychedelische toestanden en bewusteloosheid twee uitersten van dezelfde glijdende schaal zijn. Bij psychedelische toestanden valt de rem op het brein weg. De hersenschors gaat op een ongecontroleerde manier vuren. Het visuele, en andere systemen doen wat ze willen, het visuele systeem krijgt input van systemen waar het normaal los van staat. Het brein is als het ware aan het stuiptrekken, het doet denken aan het babybrein, tussenschotjes vallen weg, het is vrij en onbeperkt. Door de falende hersenen ga je geluiden zien en kleuren horen. “Horen en zien vergaan je” bij wijze van spreken.

Psychedelische kunst (purzuit.com)

Ook musici met een absoluut gehoor beweren inderdaad muziek te kunnen zien. Schilders als Kandinsky associëren vormen en kleuren met muziek en wilden komen tot een gesamtkunstwerk waarin alle zintuigen aangesproken zouden worden.
Elke diersoort/mens heeft dan een eigen zintuig gestuurde specifieke filter. Honden en andere diersoorten hebben veeleer een geur/bewustzijn, naast door licht en geluidsgolven worden ze meer door chemische stoffen gestuurd. Voor ons moeilijk voor te stellen, hoe zou het zijn om een vleermuis maar dus ook hond te zijn, andersom kunnen zij zich onze verder ontwikkelde ratio niet voorstellen.

Kandinsky
Zonder filterwerking van de hersenen zouden we een zelfde effect ervaren als verblinding door tegen de zon in kijken, of doof worden als we de radioknop helemaal open draaien, als we “het bewustzijn/de wereld” rechtstreeks zouden ervaren. Het ultieme “psychedelische is dan bereikt.
Wellicht is er maar één bewustzijn/tijdsbeleven waar levende wezens al naar gelang hun filterende hersenmodule op een verschillende wijze deel aan hebben. Deze bewering is platonisch speculatief en absoluut onbewijsbaar, het lijkt op ideeën van mensen die in bijna doodervaringen geloven, maar is wel leuk. Een blog mag speculeren.
Wel kunnen we door de rede ondersteund zeggen dat we deel hebben aan één rede/wiskunde.

maandag 28 maart 2016

VIERDIMENSIONALE TIJGERS


We houden van objecten. Objecten zijn manipuleerbaar en begrensd. Van diensten, gebeurtenissen dus, maken we objecten, bijvoorbeeld in de marketing, daar heerst het in “produkten" denken. De Nederlandse Spoorwegen leveren een “produkt”, reisbureau’s leveren een produkt. 
In het bankwezen gaat dat pas echt goed mis, diverse “produkten” (hypotheken etc.) worden gebundeld tot derivaten en dan verhandeld. Met een enorme economische crisis als resultaat. Gezondheidsbehandelingen worden ook als “produkt” gezien, met als resultaat een enorme commercie, overheidsbezuinigingen waarvan de zwakkere de dupe worden, een idiote administratie waarvan artsen en patiënten de dupe worden etc..
De mens is een gebeurtenis en geen object/produkt zo hebben we gezien in de vorige blog. In feite zijn alle objecten uiteindelijk waarschijnlijk gebeurtenissen. Materie bestaat uit krachten, atomen, elektronen, misschien trillende eendimensionale snaren etc.. Hoe ver je materie ook gaat ontleden (stel dat men dat zou kunnen), nooit stuit je op basale materie. De wereld is uiteindelijk van wiskunde.
Gebeurtenissen zijn uiteindelijk onderling verbonden. Alle gebeurtenissen zijn waarschijnlijk causaal te herleiden tot één oer-gebeurtenis, de big bang. Als je ver genoeg terug redeneert heeft de ene gebeurtenis altijd betrekking op de andere, geen een gebeurtenis hangt in de lucht zonder oorzaak en gevolg. De mens als gebeurtenis staat ook niet op zichzelf. Wij maken als gebeurtenis deel uit van de voedselketen, de koolstofketen, het milieu, het universum. Hoe breder je kijkt des te waarde-vrijer alles is. Het universum op de grootste schaal kent geen goed of fout, wat gebeurt dat gebeurt.
Op kleinere schaal is het een ander verhaal. “Stel je voor”, hierbij stel je je als gebeurtenis (hoofd, benen, gedachten) tegenover een denkbeeldige gebeurtenis. Je kunt jezelf alleen maar stellen, dus jezelf vóór iets stellen, als je jezelf als afgescheiden gebeurtenis ziet.
Een tijger wil je opeten. Op dat moment stel je jezelf extreem los van de rest van de wereld. Vooral het intact blijven van jezelf staat voorop. Je hebt doodsangst. Je bekommert jezelf niet meer om de voedselketen of het feit dat je van grote betekenis voor een uitstervend diersoort kunt zijn, je bent je meer dan ooit bewust van je afgescheidenheid tegenover een bedreigende wereld, je vernietiging is aanstaande. Je krijgt zelfs eenzaamheidsgevoelens en gaat om hulp roepen, zelfs als er niemand in de buurt is. Er bestaat op dat moment een heel duidelijk goed en fout. Goed is als je bijvoorbeeld een geweer bij de hand hebt, slecht is als je opgegeten wordt. Voor de tijger geldt precies het omgekeerd. Zijn grootste angst is honger.
 
Wat we doen als we onszelf stellen is grenzen stellen, we scheiden onszelf meer dan ooit af van de bedreigende buitenwereld, we “bepalen”, zetten grenspalen. Waar bevindt zich de dreiging, waar liggen mijn kansen etc. We verzamelen “informatie”, informatie is bepaling van onszelf in verhouding tot onze omgeving of de bepaling van de omgeving in verhouding tot onszelf.
Als je opgegeten wordt is dat afgezet tegenover de grote schaal helemaal niet goed of slecht. Er gaat geen atoom verloren, het is een neutrale gebeurtenis die duizenden malen plaatsvindt binnen de voedselketen. Pas als we het gebeuren met de tijger overleefd hebben en rustig op een stoel zitten kunnen we deze overwegingen maken. We kunnen de grenzen tussen ons en de omgeving opschuiven. De informatie wordt breder. Hoe verder het gevaar, des te makkelijker het is om genuanceerd te denken over tijgers, prachtige dieren die beschermd moeten worden etc.
Angst doet ons onszelf op een intensievere manier tegenover een dreigende wereld stellen. Die dreigende wereld kan bestaan uit een tijger, maar ook bijvoorbeeld uit een reorganiserende manager, of een boete uitdelende politieagent. Ook hoge belastingen, potentiële terroristen, beledigingen aan de “profeet”, hooligans, Donald Trump etc. etc. ondermijnen onze positie en leiden ertoe dat we ons gaan “stellen”. We stellen grenzen, wie zijn wij, wat zijn de dreigingen etc.


Dit onszelf stellen is de kern van ons bestaan als levende organismen. We zijn niet zozeer onze hersenen maar allereerst ons stellen. Asceten beweren dat we dat niet meer zouden moeten doen, angst, hebzucht etc. moeten we gelijkmoedig langs ons heen laten gaan. Probleem is echter dat als we onszelf niet meer stellen, we verder ook niets anders meer kunnen stellen. Jezelf iets voorstellen betekent letterlijk jezelf “vóór iets stellen”, om iets te zien, ook in je fantasie moet je het vóór je hebben. Iets dat achter je is kun je niet zien.
Magritte
Nu het gedachte-experiment van een niet aan materiële processen gebonden geest. Om te stellen heb je materie nodig (die inderdaad uiteindelijk ook niet als zodanig bestaat). Je stelt je auto op bij voorsorteren, zonder auto kun je niet voorsorteren dan wel parkeren.
Hetzelfde geldt ook voor de belichaamde mens, een geest zonder lichaam zou geen vóór, achter, boven of onder kennen, hij zou geen voorstellingsvermogen hebben.

 
Wij kunnen ons alleen in de wereld stellen, in tijd en ruimte. Buiten tijd en ruimte kunnen we ons niet stellen. Hoewel we weten dat er tijd en ruimte is en we er wel mee kunnen spelen. Belichaming is informatie. Informatie bestaat alleen ten opzichte van andere informatie. Alleen iets dat zelf vorm heeft kan zich ten opzichte van andere vormen stellen, vergaart informatie. Wel moeten er meer objecten zijn voor zinvolle en gedetailleerde informatie. Een trein bijvoorbeeld, is alleen maar een trein omdat er ook auto’s, fietsen, huizen etc. zijn. Als die trein het enige was in het universum, dan zou hij niet langer een “trein” zijn maar “alles”.  Hij zou wel verschijnen als hij alles was, maar dan alleen ten opzichte van niets. Wij als waarnemer van deze wereld zouden dan dit niets in deze wereld met alleen deze trein brengen. We zouden onszelf naast deze trein stellen in dit absurde universum en de trein afzetten, niet tegenover onszelf, maar als alles tegenover niets.

 
Buiten de wereld, ook buiten de superkleine singulariteit vlak na de oerknal is er niets dan wel geen informatie, ook geen tijd en ruimte geen informatie (alles, alle informatie, verschijnt immers als iets ten opzichte van niets). De wereld, alles, drijft in en komt voort uit het informatie-loze niets.
Zouden echter de wetten van logica en wiskunde wel aan tijd, ruimte en belichaming, dus aan informatie, voorafgaandd/ten grondslag liggen?
Voorafgaand is dan overigens een zinloze uitdrukking want zonder tijd is er geen voorafgaand, er is geen eerder en later meer. Onze informatie, ruimte en tijdsgebonden berust dan in iets dat nog fundamenteler is. Er zou dan een Platoonse basisstructuur buiten ruimte en tijd zijn, waarin informatie in de vorm van ruimtetijd/materie verschijnt.

 
In drie dimensies, in de ruimte en tijd kunnen we “(voor)stellen”. In meer dimensies kunnen we ons niet stellen, kunnen we ons niets voorstellen. Maar als er nu daadwerkelijk meer dimensies bestaan, wat niet zeker is ,hoewel deze in de wiskunde kunnen worden uitgebeeld, dan is dat misschien de reden waarom sommige metingen met betrekking tot kwantumdeeltjes zulke vreemde uitkomsten hebben? We bereiken dan de grenzen van informatie zoals wij die kennen.

 
We stellen onszelf in de meting die we verrichten ten aanzien van iets buiten ons, maar meten iets buiten de grenzen van de normale informatie. Wellicht hebben we zelf niet de juiste “vorm” om deze informatie op de juiste manier te duiden, om ons tegenover die informatie te stellen.
Gelukkig bestaan er geen vierdimensionale tijgers.

zondag 14 februari 2016

NAMEN


In de vorige blog hebben we gezien dat dat de mens steeds probeert het heden te “grijpen”, een steeds wijkend heden. Onze waarneming loopt altijd achter op het absolute heden.
Het beeld van een kind dat lopen leert of van iemand die struikelt en aan de ruimte vergeefs steun zoekt is op ons van toepassing. In feite zoeken wij nog steeds tevergeefs steun in de tijd, zoals we als baby steun zochten in de ruimte. We plannen, proberen de tijd te bevriezen, halen de tijd op.

Net als een kind uiteindelijk steun zoekt bij objecten doen wij hetzelfde met betrekking tot de tijd. Zoals objecten bij ruimte horen zo horen gebeurtenissen bij tijd. Toch maken we van gebeurtenissen objecten of geven we ze objectachtige trekken. Om houvast aan het voorbijgaande te krijgen. Een object is immers op elk moment van de tijd benoembaar en concreet. Een gebeurtenis daarentegen ontwikkeld zich, is verbonden met andere gebeurtenissen, geeft minder houvast.
 
Een levend organisme, de mens is een gebeurtenis.
Hersenpulsen, de buitenwereld, cultuur, taal, allemaal in elkaar grijpende gebeurtenissen die zichzelf in stand houden en ons tot datgene maken wat we zijn, net als een tropische orkaan bestaat uit meteorologische gebeurtenissen die een zichzelf instant houdend systeem van gebeurtenissen vormt.
 
 
In een fractie van een seconde bestaan we alleen als een serie impulsen, insecten ontplooien zich als gebeurtenis in tijdsbestekken van seconden/minuten. In een minuut kunnen mensen denken, in een uur nog meer, in een jaar kunnen we plannen. In feite ontplooit de mens zich, door zijn geheugen, gedurende zijn hele leven als gebeurtenis, als geschiedenis. We veranderen, zijn geen dag precies dezelfde.
Objecten bestaan in het heden, een stoel is in een seconde evenveel stoel als in honderd jaar.

Rietveldstoel

Om houvast op de serie gebeurtenissen te krijgen waar we uit bestaan objectiveren we. We maken onszelf tot object, we geven namen, “Peter”, “John”, “Alexander”, “Iwan”, vat ons in de seconde samen die het duurt om de naam uit te spreken, afgegrensd van andere gebeurtenissen. Door namen te geven hebben we vat op gebeurtenissen, omgrenzen en markeren (bepalen) we gebeurtenissen.
 
Als gebeurtenis maken we echter deel uit van andere gebeurtenissen, we zijn niet strikt te scheiden van andere gebeurtenissen, bijvoorbeeld het weer, de natuur, de mensheid, de sociale omgeving beïnvloeden ons; het weer , de mensheid, de sociale omgeving etc. maken deel van ons uit.

We geven de serie gebeurtenissen die ons constitueren (net als andere gebeurtenissen) een naam, mensen krijgen een naam “John” etc. en een soortnaam “geest”, (“mind”). De gebeurtenissen die ons vormen, handelingen, zintuigprikkels, breinpulsen, de buitenwereld, worden dus geobjectiveerd en geest (mind, soul) genoemd.

Hetzelfde doen we met het geheel waar de serie gebeurtenissen die ons constitueren deel van uitmaken, dat duiden we aan met supergeest (super mind), “god”. We objectiveren aldus de wereld met alle gebeurtenissen en objecten, het geheel analoog zoals we onszelf als gebeurtenissen objectiveren. Wij zijn dan John, Peter etc.  of geest, het geheel is de supergeest/god.

Ook objectiveren we series gebeurtenissen die ons overstijgen, oorlog wordt Mars, vruchtbaarheid Demeter, liefde Aphrodite, wijsheid en helderheid Athene etc..
Deze goden verschenen dan ook niet als object maar in relatie tot handelingen, mysteriën, via orakels, offers, missen, als niet meer begrepen gemoedstoestanden overgebracht door symbolen.


Demeter, van landbouw en gewassen
 
Je beeldt ze af, maar als symbool, zoals wij Vrouwe Justitia afbeelden, wij weten dan dat we een symbool van het recht afbeelden en geen bestaande vrouw.
In feite zijn aldus de goden onze eigen constructies, niet objectief bestaand.
Oké, maar vergeet dan niet dat je zelf ook je eigen constructie bent, ook niet objectief bestaand.
Men heeft dit altijd wel aangevoeld, van veel goden is het beter de naam niet uit te spreken zo werd aanvankelijk gesteld, de klinkers JWH zijn aanvankelijk bedoeld om te voorkomen dat de naam werd uitgesproken.  Een naam uitspreken betekent macht uitoefenen. De baas Piet of Jan wil het, de partijleider wil het. Van het “begrip” Tao (geen god) werd gezegd  “Als men denkt het wel te kunnen uitdrukken, dan is het niet Tao." Tao is immers vormloos en niet gebonden aan een vorm” (Wikipedia).
Een onbe(grijp)baar begrip.
Tao
 
Helaas is men dit vergeten en voeren goden als objecten een afschuwelijk schrikbewind. Ook al mag je ze dan soms niet afbeelden (ook dat mag niet), het zijn tirannieke en narrige "opperwezens" die ons van alles verbieden en gebruikt worden om tot moord en doodslag op te zwepen.
Zoals een naam voor een serie afschuwelijke gebeurtenissen kan staan “Hitler, Stalin”, kunnen namen van goden dit ook. Mijn profeet, mijn god wil deze oorlog, jihad, kruistocht.