Translate

maandag 2 juli 2012

EMMANUEL LEVINAS OVER DE ANDER



De ander als zodanig kunnen we niet waarnemen, alleen een beeld van hem in onszelf, de ander blijft verborgen


De 4e dimensie kunnen we nietwaarnemen. We kunnen dan ook niet bewijzen, hoogstens vermoeden dat er zoiets bestaat.
Er is nog iets dat we niet waar kunnen nemen.
Heel simpel, "de ander". De Joods-Franse filosoof van Litouwse afkomst Emmanuel Levinas heeft dit bestudeerd.
Als jij met het klussen op je vingers slaat, dan voel ik daar niets van. Er zal slechts een nauwelijks merkbare glimlach op mijn lippen verschijnen, of ik ga over tot troostpogingen. Ik kan me alleen maar indenken wat je voelt, zelf kan ik jouw zere duim niet voelen. Ik heb slechts een beeld van de ander, waarnemen hoe hij werkelijk is en wat hij voelt kan ik niet.



Voor mij is de ander transcedent. De ander kan op zijn beurt mij niet waarnemen, maar slechts een beeld van mij vormen en dat weet ik. Het enige dat ik van de ander waarneem is het gelaat. Met deze term bedoelde Levinas niet alleen gezicht, maar breder, ook bijvoorbeeld houding en stem van de ander.
Met dit gelaat nemen we dus de ander waar, een transcedentie. Juist door deze transcedentie doet de ander een appél op mij, een voorbewust en op mijn leven als egoïsme inbreuk makend besef van de ander als hulpbehoevend wezen, hoe ik daar ook op reageer.



Levinas

De filosofie tot Levins hield zich bezig met "de mens" en "de geest".
Er zijn echter ongeveer 7 miljard mensen, ongeveer 7 miljard min één anderen.
Het respect van de ander als ander ontbreekt vaak in het menselijk denken, al te snel trachten wij de ander te dwingen te voldoen aan het beeld dat we van de ander hebben, wij trachten de 'ander"in te kapselen, ook in ons denken.
Levinas hield zich bezig met de ander als ander, een hiaat in de filosofie, hij spreekt zelfs van "egologie" met betrekking tot het gangbare denken en kwam tot opzienbarende conclusies.
Het begrip appél speelt een belangrijke rol in zijn filosofie, hierdoor worden we op vóórbewust niveau geraakt door de ander of we nu willen of niet (hersenonderzoek en de ontdekking van spiegelneuronen in onze hersenen ondersteunen dit). Dit appél is goed, het verbiedt de ander kwaad te doen, het roept op tot verantwoordelijkheid.
Het begrip "de ander"had bij Levinas dus ook een ethische lading.
Om de ander te kunnen vermoorden moeten we hem eerst ontmenselijken.
Van het gebod "gij zult niet doden" gaf Levinas een interessante interpretatie. Het betekent ook gij zult niet links laten liggen, negeren, treiteren, ontmenselijken etc.


Om de ander te vermoorden moet je hem eerst ontmenselijken (toegangspoort Auschwitz-Birkenau)


Wij kunnen uiteindelijk dus ons eigen zelf niet waarnemen, steeds word je naar buiten geworpen, hier speelt dus het eerder vermeld Droste effect. Uiteindelijk kunnen we onszelf ook alleen maar als een ander waarnemen, ook dit merkte Levinas op.

Is het Heidegger die de filosofie wijst op "zijnsvergetelheid", zo drukt ons Levinas op het feit dat we de medemens als "de ander" niet meer zien.

Wordt vervolgd
Over drie weken

1 opmerking:

Frank Inklaar zei

Ha Paul. Altruisme is ook uit biologisch oogpunt iets eigenaardigs. Zo op het eerste gezicht zou je namelijk uit de evolutietheorie van Darwin verwachten dat altruisme als karaktereigenschap snel uit zou sterven. Richard Dawkins werkt dat prachtig uit in zijn boek uit 1976 'The Selfish Gene'.
Zijn kernargument is dat de evolutie niet primair de indivuen betreft, maar de genen die we in ons dragen. Daarom overleeft een gen dat altruistisch gedrag bevordert naar andere individuen die veel genen met je delen en zelfs in de mate waarmee je in genetisch materiaal overeenkomt: allereerst de eeneige tweelingbroer (of zus) die (voor het gen) net zo belangrijk is als je zelf. Komt bij mensen niet heel vaak maar bij bijvoorbeeld mieren op grote schaal. Daarna komen je broers en zussen, ouders en kinderen (allemaal de helft DNA gemeenschappelijk), daarna de rest van de familie, dorpsgenoten, landgenoten enzovoort. Niet altruistisch gedrag naar mensen waarmee je vermoedelijk weinig DNA gemeenschappelijk hebt zou dus ook erfelijk kunnen zijn (je zou het een Wilders-gen kunnen noemen). Het is een heel heldere maar verstrekkende theorie, ik kan het boek aanraden!