Translate

donderdag 26 maart 2026

 


                    Aartsengelen Michael en Gabriël icoon 12e eeuw. Wikipedia

                                                ENGELEN

 Als er niet materiële geesten bestaan leidt dat tot allerlei problemen. Deze problemen werden reeds in de middeleeuwen gesignaleerd in verband met engelen.

In de middeleeuwen hielden scholastici als Thomas van Aquino, maar ook Arabische en Joodse geleerden als Maimonides en Al Farabi zich bezig met angelologie, de leer over engelen. Vaak pasten ze een zeer goed ontwikkelde logica toe op problemen van het niet materiële, zodanig dat wij er nog van zouden kunnen leren. Ook als ze niet zouden bestaan (een ketterse bewering in die tijd) waren engelen nuttige gedachtenconstructies ten aanzien van complexe vragen. Hoe werkt pure informatie? Wat is de aard van logica en tijd? Engelen dienden om de logica daaromtrent te kunnen formuleren; later werden de middeleeuwse scholastici ten onrechte beschuldigd van scherpslijperij. Dit zijn echter vraagstukken die door de moderne wetenschap actueler zijn dan ooit.

 Engelen zijn immaterieel. De vraag in verband met hun immaterieel zijn is: waar eindigt de ene engel en begint de andere? Kunnen ze elkaar overlappen? Diverse antwoorden zijn hierop gegeven. Globaal komt het er op neer dat een engel daar is waar hij zijn geesteskracht uitoefent. Ze verschillen van elkaar zoals getallen van elkaar verschillen, 4 is geen 5 etc.. Dat onderscheidt hen ook van God die overal is. Een engel valt samen met zijn intellectuele daad, er is geen onderscheid tussen denken en gedachte. Hij redeneert niet maar ziet direct, ze zijn immers niet aan zintuigen gebonden.

Volgens Thomas van Aquino verplaatsen engelen zich ook niet door de ruimte. Omdat ze geen lichaam hebben is afstand voor hen niet van toepassing, dat is immers iets in ruimte waaraan ze als entiteiten zonder stoffelijk lichaam niet gebonden zijn. Ze communiceren direct door hun wil te richten op een andere engel, de informatie is er onmiddellijk ongeacht de afstand. Analoog aan een in onze tijd ontdekt verschijnsel van quantum entanglement waarin de status van het ene deeltje de status van het andere bepaald ongeacht hun onderlinge afstand.

De taakuitvoering van een engel bepaalt zijn locatie, hij is in een soort superpositie, pas als hij werkzaam is heeft hij een locatie, net als elementaire deeltjes dat hebben als ze gemeten  worden. Een engel is dus geen rondvliegend individu maar een knooppunt in een niet-lokaal netwerk van informatie en actie. Vertelt dit iets over de verhouding tussen bewustzijn, informatie en materie? Wat is de functie van materie? Natuurwetten zonder materiële natuur zouden als verkeersregels zijn zonder verkeer. Getallen zonder dat er iets is dat in getallen uitgedrukt kan worden, zou dat kunnen bestaan? Bewustzijn zonder materieel kader kan nergens op gericht zijn. Bewustzijn is immers altijd bewustzijn van iets.

 Informatie/formatie

 Materie is op ons niveau de drager van informatie, behalve bij engelen maar die bestaan hoogstwaarschijnlijk niet. Op Microniveau is de situatie compleet anders. De grote vraag zou kunnen zijn: op welk basis-microniveau begint pure materie waarin informatie is gevat? Bij superstrings, of nog dieper? Dit is de aloude vraag naar ‘substantie’ het onderliggende, de vraag van Descartes, Spinoza en Leibniz. Het meest voor de hand liggende antwoord met de kennis van nu over puntdeeltjes, massaloze fotonen, zwarte gaten is dat er uiteindelijk helemaal geen materiële substantie is maar alleen informatie. Informatie/wiskunde zonder uiteindelijke gegevensdrager zou het onderliggende van de wereld zijn. Een vorm van modern Platonisme, een filosoof van 2500 jaar geleden wint.

Een elektron bestaat uit een set getallen een veld, waarin dit elektron een rimpeling is. Elektronen  zijn puntdeeltjes ze hebben geen afmeting of intern volume, het is een punt met eigenschappen. Ze hebben wel massa door hun interactie met een al even materie loos Higgsveld. Je bent nu op het punt waar de moderne natuurkunde en de angelologie van Thomas van Aquino elkaar de hand schudden: de engel als "intellectuele daad" die een locatie heeft door zijn werking, verschilt fundamenteel niet van het elektron dat "massa" heeft door zijn interactie.

 Wat is informatie? Informatie is de buitenwereld die zich “vorm geeft aan de geest”, In-formare. Maar de pure vormen in de natuur, waarom noemt men die dan informatie? Ook Plato sprak van een vormenwereld als basis van alles, niet van een informen wereld. Is er onderscheid tussen formatie en informatie? Waar in-formatie onder meer plaatsvindt is in bewustzijnen met behulp van de hersenen, en dan is het nog de vraag hoe goed. Informatie veronderstelt een informerende instantie bijvoorbeeld een bewustzijn. Toch komt in deze redenering het menselijk/biologisch gezichtspunt tezeer centraal te staan, de mens, het bewustzijn, los van de wereld. Informatie maakt immers onafscheidelijk deel uit van de formatie van het universum, is er identiek aan. Informatie bevindt zich niet binnen een schedel, het begrip hersenen is een begrip dat alleen op een bepaalde macro-schaal bestaat. Informatie door hersenen gestuurd is ook onderdeel van formatie van de wereld. De elektronische codes tussen neuronen die bijvoorbeeld de gewaarwording van de kleur rood of pijn veroorzaken zijn structuren. Die misschien wel dieper in materie gaan dan de spanningsverschillen in de hersen die wij meten, op een niveau waar onze macro vormen hun betekenis als afgescheiden structuren hebben verloren. 

Als materie niet uit een fundamentele substantie bestaat maar uiteindelijk alleen maar uit verhoudingen en structuren, dan kan men verdedigen dat onze hersenen een bepaalde bestaande structuurmogelijkheid uitfilteren of faciliteren waardoor bewustzijn verschijnt. Ze zijn dan geen producenten van bewustzijn maar ontvangers. Misschien is deze structuur, die wij als ons bewustzijn ervaren, wel de uiteindelijke structuur waarbinnen alles ingebed is, de essentie van alle structuurzijn in de wereld waarnaar alle structuren te weten materie/energie zich organiseert. Een soort neo-platonisch emanatie-idee, zich ondermeer verwerkelijkend in onze hersenen. 

 Structuur gebruikt materie

 Neem een bosbrand, die ontspruit niet uit het hout van het bos, het hout ontvangt de brand omdat de eigenschappen van hout daarvoor geschikt zijn. De oorzaak ligt elders, een bliksemflits etc.. De brand wordt nadat het bos vlam vat, als het ware een zelfstandige entiteit die het hout gebruikt voor zijn voortbestaan. Het bos is dan als het ware in dienst van de bosbrand, die pas gaat liggen als het bos hapert doordat het nat is of als het bos op is. Misschien kunnen we bewustzijn wel met een bosbrand vergelijken die het bos gebruikt maar niet het bos is.

Je kunt zeggen, ‘bewustzijn is slechts een bijverschijnsel van de hersenen’, maar dan zeg je hetzelfde als dat een bosbrand een bijverschijnsel van een bos is. Beide gezichtspunten zijn logisch gezien mogelijk, je kunt ook zeggen dat de aarde en zon rond de maan draaien al naar gelang het perspectief dat je wilt innemen, kwestie van referentiekaders. Omdat de zon en de rest van het heelal onmetelijk veel groter is als de maan zeggen we dat de maan om de aarde draait etc. Een bosbrand is een overweldigend bijna autonoom verschijnsel, hetzelfde geldt voor bewustzijn, als overweldigend verschijnsel dat de hersenen gebruikt.

Ontbranden, verbinden met zuurstof, is echter geen verschijnsel dat beperkt is tot een bos, allerlei materialen branden. Wellicht is ook bewustzijn net als brand in allerlei materialen op te roepen. Bewustzijn gebruikt misschien diverse materialen om zich materieel te manifesteren, zoals vuur brandbaar materiaal gebruikt. Als het bos op is, verdwijnt de bosbrand, maar niet de zuurstof en de reactie die de brand mogelijk maakte.

Als de hersenen op zijn verdwijnt de persoon. Echter niet het bewustzijn dat de persoon mogelijk maakte. Soms missen mensen bij geboorte 90% van hun hersenen en ontwikkelen ze zich onder bepaalde voorwaarden toch tot normaal functionerende mensen. De structuur, de netwerkverbindingen zijn klaarblijkelijk belangrijker dan de hoeveelheid weefsel. Bewustzijn weet als het ware, ondanks beperkingen, toch op een normale manier door te komen. Misschien dat gevallen van plotselinge terminale helderheid van dementen of mensen met hersenletsel waarvan de hersenen verregaand beschadigd zijn ook berust op bewustzijn dat toch nog door weet te komen. De hersenen filteren even niet, uit de as ontvlamt nog even een nieuw vuur. Bewustzijn weet de aan haar onderhavige materie nog even aan te wenden.

Als alles berust op structuur zonder uiteindelijk fundament dan is de logica van de angelologie misschien toch actueel en het bestuderen waard.

 

 

dinsdag 24 februari 2026


         VRAGEN 

  

Wikipedia ‘Questions’

Wat is de vraag? Vragen is meer dan een taalhandeling. De taalhandeling, de vraagzin, is slechts een instrument om een vraag uit te drukken, de vraag gaat aan taal vooraf, het is een geestestoestand. Vragen zijn ouder dan de mens en fundamenteler dan de wil.

Wil zonder onderliggende vraag is ongerichte wil, ‘de wil is de wil tot antwoorden’ waaraan de vraag ten grondslag ligt. Niet de wil tot macht maar de vraag aan de wereld is het fundamentele en de motor achter alle evolutie. Zonder antwoorden op vragen is er geen macht, onwetendheid is onmacht, ongerichte wil is onmacht.

De vraag is geen taalhandeling maar een gebrek, een gebrek aan evenwicht tussen de vragende instantie en de wereld. Het ontbreekt de vragende instantie aan informatie over de wereld, in de vraag scheidt een vragend subject zich af van de wereld als geheel, de wereld als geheel waartoe zijn ervaringsapparaat slechts gedeeltelijk toegang heeft. In het spanningsveld tussen het vragende subject als deel van de wereld en de onvolledig gekende wereld als zodanig ontstaat de vraag. Waar kan ik voedsel vinden? Waar bevindt zich de kudde mammoeten? Wat is die donkere materie in het heelal? Het al dan niet succesvol zijn van dit zoekproces definieert de evolutie van organismen, hersenen en technologie.

Dit spanningsveld tussen een subject en de wereld waaruit het vragen ontspruit is ouder dan de mensheid. Ook dieren zoeken en zoeken is de wereld bevragen zonder taal, ‘waar is voedsel?’

We stellen vragen aan elkaar, maar mijn medemens is deel van de wereld en ervaart de wereld. Als ik mijn medemens een vraag stel dan bevraag ik indirect de wereld als geheel.

Onze hersenen instrumenten en algoritmen en zijn niet in de eerste plaats geëvolueerd door de wil maar door de vraag. Het zijn zintuigen gericht op vragen. Ze komen voort uit de wil tot antwoorden. De waarheid is onkenbaar, onbereikbaar met onze zintuigen en brein, maar toch de poort om haar zo dicht mogelijk te benaderen is de vraag.

Dit is de kern van het Socratisme, niet de antwoorden van de sofisten leiden naar de waarheid maar de vragen, een waarheid die zich in een aporie, een filosofische impasse waarbij het denken vastloopt, verbergt. Een aporie die op zijn beurt weer tot verdere vragen aanleiding geeft. Een soms pijnlijk altijd doorgaand soms tragikomisch proces van radeloosheid en twijfel, lijkend op een bevalling. Socrates wist niets, volgens eigen zeggen, dus had overal vragen over. Niet de wetende monoloog van de sofist en dominee maar de vragende dialoog met mijn medemens en de wereld is de poort naar de onbereikbare waarheid. De wereld en je medemens bezit je nooit, je kunt de wereld inclusief je medemens slechts bevragen tot de volgende aporie.

We zijn na Socrates zozeer op antwoorden gericht dat de waarde van de vraag zelf ons ontgaat, we zijn in een staat van vraagblindheid. We willen te snel antwoorden en zijn bang voor de aporie, we geloven liever in ‘relatieve waarheden, eigen waarheden of we vinden de waarheid hetzelfde als een mening. Dit is een reden voor de hedendaagse informatiecrisis. De waarheid is niet langer een horizon maar een bezit, “mijn waarheid!” een instrument en wapen waarmee we macht over de wereld proberen te verkrijgen, ten koste van die wereld en onszelf. We willen snel antwoorden en zijn bang voor onbeantwoorde vragen. Niet te ‘beantwoorden’ vragen weigeren we te stellen, vergeten zijn we dat het ‘niet-antwoord’ het beste antwoord is op een onbeantwoordbare vraag waarvan het stellen  en het niet beantwoordbare al een antwoord in zich draagt, voorbij de taal. Hierbij denk ik aan de apofatische theologie, de via negativa en de Tao die niet genoemd kan worden. Wittgenstein stelde, “Waarover men niet kan spreken daarover moet men zwijgen”. Heel de Tractatus werkt juist naar deze vaststelling toe, het brandpunt van zijn filosofie, of zelfs dé filosofie, een aporie in Socratische zin. Hij werkte hier naartoe zoals Socrates toewerkte naar aporieën. Deze ene laatste zin van de Tractatus bundelde als het ware zijn filosofie en waarheidsverlangen. Velen hebben deze conclusie foutief geïnterpreteerd als een verbod om niet direct in taal te beantwoorden vragen te stellen.

We lijken op de graalridder die door zijn opvoeding heeft afgeleerd vragen te stellen, over de lijdende Visserkoning en de graal; als in een plechtige processie van graaldraagsters de graal aan hem voorbijtrekt. Het stellen van de vraag doorbreekt de isolatie van het subject ten opzichte van de wereld. Een vraag naar het onbeantwoordbare gaat verder dan alleen maar een informatieverzoek dit vragen kan het individu in de wereld bevestigen. Het is de vraag naar grenzen en verbinding, de vrager komt dichter bij de waarheid ongeacht een kant en klaar antwoord.

Het is de ‘vraag’ naar handhaving, voedsel en beschutting, die onderdelen van de natuur zich heeft doen afsplitsen tot plant, dier en mensdier. Waarom is de natuur vragen gaan stellen? Waarom ontstond vragende materie? Is ‘vragen’ zonder taal een inherente eigenschap van materie, is dit de conatus, de inherente kracht of het streven van elk ding om in zijn eigen bestaan te volharden?

Als we een vraag stellen bundelen we onszelf tegenover de wereld waar wij echter zelf deel van uitmaken om de waarheid van de wereld als antwoord te krijgen. De wereld bevraagd zichzelf over haar eigen waarheid. Intelligentie is combinatievermogen, de impliciete of expliciete wil om vragen te stellen is bewustzijn. Waarheid berust op een dialoog met de wereld met medemens, is schijnbaar onafhankelijk van ons maar maakt via de wereld waar het een onderdeel van is toch onderdeel van onszelf uit, omdat wij ook onderdeel van de wereld zijn. Hetzelfde geldt voor het goede en het schone. Als iets goed is voor mij ten koste van een ander dan is dat niet het goede zoals het zich achter de onbereikbare horizon of buiten de grot bevindt. Ware schoonheid gaat ook niet ten koste van andere schoonheid. Het Goede, Ware en Schone zijn strevingen diep in de natuur verankerd. Het afstand doen van deze strevingen betekent uiteenvallen in schijnwaarheden, commerciële kitsch en als goedheid vermomd eigenbelang. Wat dit betreft zijn metafysica en ethiek niet te scheiden. Wie de geest van het woud, de geest van de vlakte, van de bergen en van de medemens vernietigt, door ze op te eisen vernietigt ook zijn eigen geest. De weg naar het onbereikbare ene, noem het de graal om toch een beetje new age achtig te doen, het antwoord der antwoorden, is een weg van vragen niet van antwoorden.

In de Verenigde Staten heerst een man met een aversie tegen het bevragen van de situatie van de aarde de samenleving en zichzelf. De wereld wordt beheerst door mannen van de monoloog, die hún waarheid in pacht hebben.

 


dinsdag 6 januari 2026

DE ONMOGELIJKE GRENZEN VAN DE NIET-RUIMTETIJD

 



Friedrich Schelling Wikipedia

Bewustzijn is niet op zichzelf gericht maar altijd naar buiten en daarom gebonden aan een bepaalde ruimte/tijdsschaal, zo blijkt uit voorgaande. Een bewustzijn op de schaal van een mens bijvoorbeeld, is afhankelijk van zintuigelijke waarnemingen binnen een bepaalde ruimte en is zich direct bewust van gebeurtenissen die zich om hem heen in een bepaald tempo voltrekken. Geheugen en extrapolatie kunnen de ruimtetijd van dit bewustzijn echter vergroten.

Kant beschouwt ruimte/tijdservaring als een eigenschap van het transcendentale subject. Het zijn volgens hem de vormen van de zintuigen, de zintuigen zouden de dingen in ruimte-tijd aan het subject presenteren, ruimtetijd als een soort a-priori aanwezige bril van het transcendentale subject, waardoor we de wereld waarnemen. Ruimtetijd zou niet buiten het subject bestaan.

De wetenschap heeft echter vastgesteld dat ruimtetijd nauw verweven is met zwaartekracht en acceleratie van materie. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat ruimtetijd alleen in subjecten kan bestaan. Het is echter nog mogelijk dat onze hele natuurkunde de wereld toont zoal hij door het transcendentale subject wordt ontcijfert. Toch is deze positie problematisch, wat is namelijk het geval?

Kant laat ruimtetijd (als onderdeel van het transcendentale subject) grenzen aan niet-ruimtetijd in het noumenale, dit omdat bovenstaande impliceert dat ruimte en tijd alleen als vormen van de zintuigen bestaat. Dit is echter volgens mij problematisch. Waarom?

Voor tijd geldt; verleden kan aan heden grenzen, heden kan aan het verleden of toekomst grenzen. Voor ruimte geldt; ruimte kan aan andere ruimte grenzen, een kamer kan aan ruimte in de bakstenen van de muren grenzen (in baksteen is net als in alle materie gewoon ruimte) en die ruimte grenst weer aan een andere ruimte.

Tijd en ruimte kunnen echter niet aan niet-ruimtetijd grenzen, dit ontgaat Kant, pas Heidegger heeft enig begrip wat er in een Kantiaanse wereld zou gebeuren.

 Het noumenale zou dus volgens Kant, in tegenstelling tot de fenomenen (zoals het transcendentale subject de wereld waarneemt), geen ruimtetijd kennen. De fenomenen zouden wortelen in het ‘ding an sich’ zonder ruimtetijd, het ding an sich gaat niet met ruimtetijd gepaard, ruimtetijd gaat uit van het transcendentale subject.

Als het subject ophoudt te bestaan, bij de dood, zou er geen ruimtetijd meer bestaan. Er zou geen ooit bestaan, het ‘wanneer’ dat het subject heeft geleefd, er zou ook geen ergens meer bestaan, het ‘waar’ dat subject heeft geleefd. De niet-ruimtetijd kent geen heden derhalve geen verleden, geen ooit of ergens. De begrippen heden, verleden en toekomst impliceren tijdsverloop, hier of daar impliceert ruimte. Je kunt niet zeggen ‘vroeger was er tijd’ of zelfs maar ‘een seconde geleden was er tijd’. Heidegger stelt, het “nichts nichtet”. Vrij vertaald betekent het "het Niets nietst" en dat geldt bij uitstek voor ruimtetijd. Heidegger wilde hiermee aangeven dat "het Niets" geen statisch begrip is of simpelweg de afwezigheid van iets, maar een actieve "werkzaamheid". Het is de ervaring van de totale betekenisloosheid die ons confronteert met het feit dat er überhaupt iets is in plaats van niets. Na annihilatie van een bewustzijn zouden met het verdwijnen van het ooit/ergens alle bewustzijnen  verdampen, hun zin en zelfs bestaan verliezen, ze hebben geen waar en wanneer meer. Het zou zinloos zijn om van ooit/ergens te spreken, solipsisme zou het resultaat zijn, alleen mij́n tijdsspanne is de wereld en geen onderdeel van de wereld. Ruimtetijd is een onderdeel van de wereld die ergens en ooit bestaat en waaruit wij verdwijnen en niet iets dat wij toevoegen en dat verdwijnt als wij verdwijnen zodat er geen ergens en ooit meer is.

Het transcendentale en het noumenale vormen bij Kant één onscheidbare wereld, maar toch dwingt de dood in zijn systeem een grens te trekken tussen beide zijnsvormen van de wereld, omdat het transcendentale subjectief fenomenale perspectief  (waaronder ruimte en tijd aldus Kant) met de dood van het transcendentale subject als individu verdwijnt. De volgens Heidegger werkzaam “nichtende” niet-tijd, maar dus impliciet verondersteld door Kants noumenale, zou dan intreden, het ‘ding an sich’ zou blijven bestaan buiten het subject om. Bij Kant worden we niet geboren en sterven we niet in de wereld/tijd maar met de wereld/tijd. De dood is bij Kant noodzakelijk de grens tussen ruimtetijd van het beëindigde subject en de niet-ruimtetijd van het voortbestaande ruimtetijdloze ding an sich. Dood is daarmee echter ook het einde van het “ergens/ooit”, zonder ruimtetijd is er geen “ergens/ooit” meer, geen verleden op een bepaalde plek meer. Heidegger stelt terecht dat niets kan mengen met het niet zonder zelf vernietigd te zijn. 

Mijn overgrootouders hebben ooit ergens bestaan, ook na mijn dood hebben ze dit. Het is volgens mij dan ook niet het subject/het bewustzijn dat de ruimtetijd bergt, de oplossing is dat andersom, de ruimtetijd het bewustzijn bergt. Ons bewustzijn is in de fysieke ruimtetijd, ruimtetijd is een eigenschap van de wereld zelf in wisselwerking met materie, geen eigenschap van een subjects waarneming, los van de wereld buiten dit subject, zoals Kant dacht. Met de annihilatie van het bewustzijn zou in de theorie van Kant ook het ooit/ergens als zodanig geannuleerd worden. Wij zijn van de materie en ruimtetijd en leven daarin en niet andersom. Dit is een voorwaarde waarbinnen panpsychisme mogelijk is. De wereld spreekt tot ons via de zintuigen en het brein, het zijn niet het brein en zintuigen die onze wereld vorm geven. Wel spreekt de wereld tot ons via zintuig/brein taal. "Ons subjectief ervaren supervenieert over de objectieve ruimtetijd." Ik pleit in feite voor een ontologisch realisme (of materialisme) als noodzakelijke voorwaarde om de continuïteit van de werkelijkheid te waarborgen.

In feite is dit het standpunt van de oude Grieken door Descartes en later vooral Kant omgedraaid. Het was Schelling die op zijn beurt Kants model terugdraaide: hij stelde dat de natuur niet slechts een passief object is voor ons subject, maar een onafhankelijke productiviteit die aan ons voorafgaat. Voor hem is de natuur "onbewuste geest" en de menselijke geest "bewuste natuur". Dit sluit naadloos aan bij het idee dat de ruimtetijd het bewustzijn bergt in plaats van andersom. Schelling is dé filosoof die de overstap maakte van de subjectieve ruimtetijd van Kant naar een objectieve, bezielde natuur waarin wij als bewuste wezens zijn ingebed. Hij voorkomt hiermee de "nietsing" van de wereld bij de dood van het individu, omdat de natuur haar eigen productiviteit en geschiedenis behoudt. 

Ik stel dat de wereld tot ons spreekt via zintuiglijke taal. De dood is dan het stoppen van de vertaling, niet het ophouden van de tekst.
In het Duitse idealisme (Kant/Fichte) is het subject de auteur van de tekst. Als de auteur sterft, verdwijnt het boek.
In mijn (en Schellings) visie is het subject de lezer. Als de lezer sterft, blijft het boek (de ruimtetijd met al zijn geschiedenis) gewoon in de kast staan.

Dit maakt panpsychisme mogelijk: het bewustzijn is geen toevallige buitenstaander die de wereld creëert, maar een inherente mogelijkheid van de materie zelf om zichzelf te "lezen". Het overgrijpende "ooit en ergens" is de objectieve bladzijde waarop wij geschreven staan. Schelling is de enige die de Natuur (fysis) een status gaf die parallel loopt aan het bewustzijn. Hij noemde zijn filosofie uiteindelijk "Positieve Filosofie", waarbij hij uitging van het feitelijke bestaan van de wereld (het zijn) als voorwaarde voor het denken, in plaats van andersom. 

Het is dan Hegel die de ultieme stap maakt door het subject op te heffen in de ‘absolute geest’. Hij is in feite een Spinozist, wat hij zelf ook benadrukt, maar dan met een dynamische insteek. In feite een vorm kosmopsychisme als variant van panpsychisme.

Wordt vervolgd