Bewustzijn is niet op zichzelf gericht maar altijd naar buiten en daarom gebonden aan een bepaalde ruimte/tijdsschaal, zo blijkt uit voorgaande. Een bewustzijn op de schaal van een mens bijvoorbeeld, is afhankelijk van zintuigelijke waarnemingen binnen een bepaalde ruimte en is zich direct bewust van gebeurtenissen die zich om hem heen in een bepaald tempo voltrekken. Geheugen en extrapolatie kunnen de ruimtetijd van dit bewustzijn echter vergroten.
Kant beschouwt ruimte/tijdservaring als een eigenschap van het transcendentale subject. Het zijn volgens hem de vormen van de zintuigen, de zintuigen zouden de dingen in ruimte-tijd aan het subject presenteren, ruimtetijd als een soort a-priori aanwezige bril van het transcendentale subject, waardoor we de wereld waarnemen. Ruimtetijd zou niet buiten het subject bestaan.
De wetenschap heeft echter vastgesteld dat ruimtetijd nauw verweven is met zwaartekracht en acceleratie van materie. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat ruimtetijd alleen in subjecten kan bestaan. Het is echter nog mogelijk dat onze hele natuurkunde de wereld toont zoal hij door het transcendentale subject wordt ontcijfert. Toch is deze positie problematisch, wat is namelijk het geval?
Kant laat ruimtetijd (als onderdeel
van het transcendentale subject) grenzen aan niet-ruimtetijd in het noumenale, dit
omdat bovenstaande impliceert dat ruimte en tijd alleen als vormen van de
zintuigen bestaat. Dit is echter volgens mij problematisch. Waarom?
Voor tijd geldt; verleden kan aan
heden grenzen, heden kan aan het verleden of toekomst grenzen. Voor ruimte geldt;
ruimte kan aan andere ruimte grenzen, een kamer kan aan ruimte in de bakstenen van
de muren grenzen (in baksteen is net als in alle materie gewoon ruimte) en die ruimte
grenst weer aan een andere ruimte.
Tijd en ruimte kunnen echter niet aan niet-ruimtetijd grenzen, dit ontgaat Kant, pas Heidegger heeft enig begrip wat er in een Kantiaanse wereld zou gebeuren.
Het noumenale zou dus volgens Kant, in tegenstelling tot de fenomenen (zoals het transcendentale subject de wereld waarneemt), geen ruimtetijd kennen. De fenomenen zouden wortelen in het ‘ding an sich’ zonder ruimtetijd, het ding an sich gaat niet met ruimtetijd gepaard, daar zorgt het transcendentale subject voor.
Als het subject ophoudt te bestaan, bij de dood, zou er geen ruimtetijd meer bestaan. Er zou geen ooit bestaan, het ‘wanneer’ dat het subject heeft geleefd, er zou ook geen ergens meer bestaan, het ‘waar’ dat subject heeft geleefd. De niet-ruimtetijd kent geen heden derhalve geen verleden, geen ooit of ergens. De begrippen heden, verleden en toekomst impliceren tijdsverloop, hier of daar impliceert ruimte. Heidegger stelt, het “nichts nichtet”. Vrij vertaald betekent het "het Niets nietst" en dat geldt bij uitstek voor ruimtetijd. Heidegger wilde hiermee aangeven dat "het Niets" geen statisch begrip is of simpelweg de afwezigheid van iets, maar een actieve "werkzaamheid". Het is de ervaring van de totale betekenisloosheid die ons confronteert met het feit dat er überhaupt iets is in plaats van niets. Na annihilatie van een bewustzijn zouden met het verdwijnen van het ooit/ergens alle bewustzijnen verdampen, hun zin en zelfs bestaan verliezen, ze hebben geen waar en wanneer meer. Het zou zinloos zijn om van ooit/ergens te spreken, solipsisme zou het resultaat zijn, alleen mij́n tijdsspanne is de wereld en geen onderdeel van de wereld.
Het transcendentale en het noumenale vormen bij Kant één onscheidbare wereld, maar toch dwingt de dood inzien systeem een grens te trekken tussen beide zijnsvormen van de wereld, omdat het transcendentale subjectief fenomenale perspectief (waaronder ruimte en tijd aldus Kant) met de dood van het transcendentale subject als individu verdwijnt. De volgens Heidegger werkzaam “nichtende” niet-tijd, maar dus impliciet verondersteld door Kants noumenale, zou dan intreden, het ‘ding an sich’ zou blijven bestaan buiten het subject om. Bij Kant worden we niet geboren en sterven we niet in de wereld/tijd maar met de wereld/tijd. De dood is bij Kant noodzakelijk de grens tussen ruimtetijd van het beëindigde subject en de niet-ruimtetijd van het voortbestaande ruimtetijdloze ding an sich. Dood is daarmee echter ook het einde van het “ergens/ooit”, zonder ruimtetijd is er geen “ergens/ooit” meer, geen verleden op een bepaalde plek meer. Heidegger stelt immers dat niets kan grenzen aan het niet zonder zelf vernietigd te zijn.
Mijn overgrootouders hebben ooit
ergens bestaan, ook na mijn dood hebben ze dit. Het is volgens mij dan ook niet het subject/het bewustzijn dat
de ruimtetijd bergt, de oplossing is dat andersom, de ruimtetijd het bewustzijn bergt. Ons
bewustzijn is in de fysieke ruimtetijd, ruimtetijd is een eigenschap van de
wereld zelf in wisselwerking met materie, geen eigenschap van een subjects waarneming, los van de wereld buiten dit subject, zoals Kant dacht. Met de
annihilatie van het bewustzijn zou in de theorie van Kant ook het ooit/ergens als zodanig geannuleerd
worden. Wij zijn van de materie en ruimtetijd en leven daarin en niet andersom.
Dit is een voorwaarde waarbinnen panpsychisme mogelijk is. De wereld spreekt tot
ons via de zintuigen en het brein, het zijn niet het brein en zintuigen die
onze wereld vorm geven. Wel spreekt de wereld tot ons via zintuig/brein taal. "Ons
subjectief ervaren supervenieert over de objectieve ruimtetijd."
Ik pleit in feite voor een ontologisch
realisme (of materialisme) als noodzakelijke voorwaarde om
de continuïteit van de werkelijkheid te waarborgen.
In feite is
dit het standpunt van de oude Grieken door Descartes en later vooral Kant
omgedraaid. Het was Schelling die op zijn beurt Kants model terugdraaide:
hij stelde dat de natuur niet slechts een passief object is voor ons subject,
maar een onafhankelijke productiviteit die aan ons voorafgaat.
Voor hem is de natuur "onbewuste geest" en de menselijke geest
"bewuste natuur". Dit sluit naadloos aan bij het idee dat de
ruimtetijd het bewustzijn bergt in plaats van andersom. Schelling is
dé filosoof die de overstap maakte van de subjectieve ruimtetijd van Kant naar
een objectieve,
bezielde natuur waarin wij als bewuste wezens zijn ingebed.
Hij voorkomt hiermee de "nietsing" van de wereld bij de dood van het
individu, omdat de natuur haar eigen productiviteit en geschiedenis behoudt.
Ik stel dat de wereld tot ons spreekt via zintuiglijke taal. De dood is dan
het stoppen van de vertaling, niet het ophouden van de tekst.
In het Duitse idealisme (Kant/Fichte) is het subject de auteur van
de tekst. Als de auteur sterft, verdwijnt het boek.
In mijn (en Schellings) visie is het subject de lezer. Als de lezer
sterft, blijft het boek (de ruimtetijd met al zijn geschiedenis) gewoon in de
kast staan.
Dit maakt panpsychisme mogelijk: het bewustzijn is geen toevallige
buitenstaander die de wereld creëert, maar een inherente mogelijkheid van de
materie zelf om zichzelf te "lezen". Het overgrijpende "ooit en
ergens" is de objectieve bladzijde waarop wij geschreven staan. Schelling
is de enige die de Natuur (fysis) een status gaf die parallel loopt aan het bewustzijn.
Hij noemde zijn filosofie uiteindelijk "Positieve Filosofie", waarbij
hij uitging van het feitelijke bestaan van de wereld (het zijn) als voorwaarde
voor het denken, in plaats van andersom.
Het is dan Hegel die de ultieme stap maakt door het subject op te heffen in de ‘absolute geest’. Hij is in feite een Spinozist, wat hij zelf ook benadrukt, maar dan met een dynamische insteek. In feite een vorm kosmopsychisme als variant van panpsychisme.
Wordt vervolgd