Translate

vrijdag 15 mei 2026

 



                Het alziend oog, Sint Jan Den Bosch (Wikipedia)

HET OOG

De vorige tekst gaat uit van aanwezigheid, een immanente wereld die zich duidelijk meedeelt in de ervaring. Deze nieuwe tekst weerspreekt de vorige en tracht het gecompliceerde, ongrijpbaar en verborgen karakter van het zijn en zijnde te beschrijven. De essentie van de wereld is verborgen, onbereikbaar en wijkend. Omdat het hier om filosofisch brainstormen gaat neem ik de vrijheid om grote sprongen te maken, die wellicht niet allemaal gerechtvaardigd kunnen worden.

 Kant en Schopenhauer

Kant stelt dat we de wereld nooit kunnen zien zoals hij is, we zijn afhankelijk van onze waarnemings- en ervaringsmogelijkheden. Perspectiefloos ervaren kan niet. De wereld zoals hij, buiten elk waarnemingsvermogen- en verwerkingsperspectief noemt hij het “Ding an sich”. De mens wortelt, net als alles, als entiteit in dit voor ervaring en zintuigen ondoorgrondelijke Ding an sich. Je hebt de mens als verschijnsel in de fysieke wereld, onderworpen aan de natuurwetten enerzijds, en de noumenale zijnswijze van de mens onafhankelijk van ruimte en tijd als vrij en moreel wezen anderzijds.

Schopenhauer nam de filosofie van Kant als uitgangspunt maar vond een unieke sleutel tot het Ding an sich via zelfreflectie. Hij stelde via deze zelfreflectie de ‘wil’ als belangrijkste  component van zijn waarnemen en handelen en trok dit door naar de wereld als geheel. De tijdloze, ruimteloze doelloze en onverdeelde wil is volgens hem de oergrond van de wereld; de verschijnselen zijn slechts illusies van de waarneming. De fysieke wereld is de “Vorstellung” van de ene ondeelbare wil.

Panpsychisten

 Panpsychisten bezigen dezelfde methode als Schopenhauer. Ze nemen de innerlijke menselijke ervaring als unieke sleutel om de fundamentele aard van de buitenwereld te ontrafelen. Wetenschap gaat over verhoudingen, bijvoorbeeld tussen deeltjes, massa’s etc., niet over het intrinsieke van materie. De wetenschap vertelt ons bijvoorbeeld wat een elektron doet, lading en massa etc.. maar niet wat een elektron is. De enige plek in het hele universum waar we 'het intrinsieke' van de realiteit rechtstreeks ervaren is in onszelf via zelfreflectie, ik ben immers zelf onderdeel van de materie van de wereld.

Wetenschap gaat niet over de intrinsieke aard van de wereld maar vooral over verhoudingen. Het probleem van zowel Schopenhauer als vormen van panpsychisme zit hem in het begrip van zelfreflectie.

 Het oog dat zichzelf niet ziet

 Met zelfreflectie tracht men als 1e persoonssubject, op het IK, op het innerlijk dus, te reflecteren. Als men echter een deel van dit innerlijk als ‘object’ van reflectie gaat bestuderen is het geen innerlijk subject meer maar een ‘studie-object’ in de wereld. Naarmate men dieper reflecteert objectiveert men steeds meer van datgene waarop men reflecteert. 

Ludwig Wittgenstein drukte het in de Tractatus heel kernachtig uit in een beeld, “het oog kan zichzelf niet zien”. Niets in mijn blikveld voert tot de conclusie dat het door een oog gezien wordt (Ludwig Wittgenstein, Tractatus 5.633/5.6331). Deze metafoor werd reeds in oosterse tradities gebruikt, het oog dat zichzelf niet ziet, het mes  dat zichzelf niet kan snijden. Het oog zit zelf niet binnen zijn eigen blikveld, het subject valt niet binnen de grenzen van “de wereld” als men de wereld als “blikveld” van het subject beschouwt. Om het oog te zien is een tweede oog nodig en om dit weer te zien een derde etc..

“Het filosofisch ik is niet de mens, niet het menselijk lichaam, of de menselijke ziel, daarover gaat de psychologie, maar het metafysisch subject, de grens- niet een deel van de wereld” aldus Ludwig Wittgenstein in de Tractatus.

Men kan over het subject/1e persoonsbewustzijn en zelfreflectie praten maar men weet nooit waarover men spreekt. Binnen een blikveld kan men alles aanwijzen als niet zijnde het oog, binnen de wereld kan men alles aanwijzen (hersenen, neuronen etc..) als niet zijnde het subject. Vergelijk het ook met de negatieve theologie en het neo-Platonisme, God of het ‘Ene’ is daarin de bron van alles, als het oog de bron is van het blikveld. God of het “Ene” is de oorsprong van alle namen en heeft daarom geen naam. Omdat het Ene de bron is van alle talige concepten, categorieën en namen, kan het Ene zelf geen naam hebben. Het gaat aan alle namen en categorieën vooraf. Zodra je het 'goed', 'groot' of 'wezen' noemt, maak je er een begrensd object van binnen de wereld.

In de negatieve theologie (en het oosterse Advaita Vedanta) kan God of de Oergrond daarom alleen gedefinieerd worden via ontkenning: Neti Neti ("Niet dit, niet dat"). God is alles watde wereld niet is. Hetzelfde geldt voor het subject/1e persoonsbewustzijn, Brahman is Atman.

De Tao (uit het taoïsme van Laozi) is misschien wel de oudste en meest radicale filosofische verwoording van ditzelfde principe. De allereerste regel van de Tao Te Ching luidt: “De Tao die genoemd kan worden, is niet de eeuwige Tao.” Zodra je de Tao definieert of begrenst met taal, maak je er een object van binnen het blikveld. Maar de Tao is de grondslag van het blikveld. De Tao is als het oog. Het is zelf onzichtbaar, maar het maakt alles zichtbaar.

Schopenhauer die de Wil als oergrond poneert denkt het “oog”, het subject zelf te zien, hij ziet echter slechts datgene dat het oog waarneemt; datgene dat het subject ervaart, in “het blikveld”/ervaringsveld. Er is geen noodzakelijk causaal verband tussen mijn wil en de wereld, de wil is een verschijnsel in de wereld en niet de grens van de wereld.

 De norm van Thomas Nagel

 Een andere zaak is het panpsychisme. Hierin wordt bewustzijn niet gedefinieerd, Bertrand Russell en Philip Goff beschrijven bewustzijn niet. Wel stellen ze dat bewustzijn de intrinsieke aard van de wereld is, maar dat is geen definitie van het begrip zelf. Goff valt terug op de definitie loze norm voor bewustzijn van Thomas Nagel, als “There is something it is like to be”. Bewustzijn is geen intelligentie, gemoedsaandoening of informatieloop in deze norm. Het zou zo bezien een variabele of constante in een vergelijking kunnen zijn.

Bewustzijn zo bezien kan de de grens van de wereld zijn, waardoor als het ware de oogfunctie wordt uitoefenend. De term bewustzijn in de zin van Nagel is het kader van datgene wat we als de wereld ervaren. Verder definiëren is onmogelijk, de definitie dekt dan namelijk geen bewustzijn meer, maar een functie in de wereld. De definitie heeft dan betrekking op een object, mechanisme of proces binnen de wereld van verschijnselen; niet langer is bewustzijn dan de grens van de wereld zelf. Het verschijnsel zou dan bijvoorbeeld door een algoritme kunnen worden bewerkt. Het zijn van “het iets zijn om te zijn” staat open naar de wereld, maar is er geen onderdeel van (open naar de wereld is ontleent aan Heidegger, die overigens heel andere ideeën had).

De logica

Binnen de logica en wiskunde komt men vaak, met andere meer stringente middelen en met gebruikmaking van een totaal andere terminologie, tot dezelfde conclusies. Kunnen we bijvoorbeeld bovenstaande vertalen naar de onvolledigheidsstelling van Gödel en de Russellparadox? Let op, deze tekst is brainstorming, ik verken hier op een redelijk oppervlakkige wijze analogieën, geen concrete en hard te maken inhoudelijke overeenkomsten.

Het wiskundig systeem kunnen we beschouwen als het blikveld, de axioma's zijn dan het oog. Het oog bepaalt wat er gezien kan worden, maar het oog kan zichzelf niet zien. En sterker nog: Gödel bewees dat er dingen in het blikveld staan die het oog wel kan waarnemen, maar waarvan het nooit de herkomst kan bewijzen. Om die te verklaren, heb je een tweede, groter oog nodig (een meta-systeem met nieuwe axioma's), dat op zijn beurt weer een eigen blinde vlek creëert.

Toegepast op de Russellparadox: de elementen van een verzameling zijn het blikveld, de meta-klasse is het oog. De kapper scheert alle mannen die zichzelf niet scheren. Wie scheert de kapper?

Als de kapper zichzelf scheert, mag hij dat niet doen. Als hij zichzelf niet scheert, moet hij dat juist wel doen. De logica breekt hier.

De paradox bewijst dat de kapper (het oog) nooit een onderdeel kan zijn van de mannen in het dorp (het blikveld). Zodra het bewustzijn of de meta-klasse wordt gereduceerd tot een object binnen het systeem, heft het zichzelf logisch op. Het oog kan zichzelf immers niet zien zonder blind te worden voor zijn eigen functie. elementen van een verzameling zijn het blikveld, de meta-klasse het oog. De kapper scheert alle mannen die zichzelf niet scheren. Wie scheert de kapper? De mannen die zichzelf scheren zijn het blikveld, de scherende kapper het oog, bij zelfreferentie stort de logica in. Zoals de verzameling die alle verzamelingen bevat niet ook zichzelf kan bevatten?

 Tweede oog

Om het concreet te maken, kan men het oog dat zichzelf niet ziet/mes dat zichzelf niet kan snijden bijvoorbeeld met de axioma’s van Euclides vergelijken? Alle ware uitspraken in een niet gekromde ruimte worden afgeleid uit vijf axioma’s,  conventionele basisafspraken, bijvoorbeeld de kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn. In de Euclidische meetkunde kunnen parallelle lijnen elkaar nooit kruisen, in een gekromde ruimte wel, deze vergt dan ook een andere meetkunde; bijvoorbeeld hyperbolische meetkunde met andere axioma’s. Voor elke ruimte kan men axioma’s stellen en redenerend vanuit deze axioma’s kan men een wereld van bewijsbare stellingen formuleren. De axioma’s worden bij berekeningen automatisch aangenomen en vormen in het meetkundesysteem als het ware een black box, een oog dat zichzelf niet ziet binnen het toegepaste axiomatisch systeem van meetkunde. 

Een metasysteem, een soort tweede oog buiten deze meetkunde, is dan nodig om deze axioma’s te zien. Dat tweede oog bestaat in de meetkunde, het is onze meetkundige beschouwing. Wij zien de axioma’s en kunnen ze manipuleren, we denken desgewenst buiten het systeem, vanuit het systeem bezien is dit meta-denken.

 Het derde oog

 De norm voor bewustzijn is dus ‘het iets zijn om te zijn’Net als uit meetkundige axioma’s vloeit daar een hele wereld, voor ons ‘de wereld’ uit voort.

Waar het menselijk intellect als een tweede oog buiten de Euclidische meetkunde kan gaan staan om haar axioma's te aanschouwen en te manipuleren, daar is het pure bewustzijn zélf het Derde Oog. Dit Derde Oog is het axioma achter álle axioma's. Het overziet niet slechts een specifieke wiskundige ruimte, maar is de transcendente voorwaarde voor het verschijnen van de ervaringswereld van mensen, dieren en andere bewuste systemen in haar totaliteit. Is meta-denken ten aanzien van dit derde oog mogelijk?

Elke poging van de wetenschap of AI-systemen om dit Derde Oog in de grafiek te trekken, stuit op de oneindige regressie van de metasystemen. Het pure bewustzijn is nooit te vatten, zoals π nooit compleet gerepresenteerd kan worden in een wereld met discrete getallen, een echte cirkel bestaat niet in de wereld. Bewustzijn is de grens van de wereld, de oogfunctie zelf, die alles zichtbaar maakt maar zelf eeuwig onzichtbaar blijft.

Dit wijken is fundamenteel, vergelijkbaar met de aard van een cirkel. Een perfecte cirkel kan in onze fysieke, discrete wereld nooit materieel bestaan, omdat π een oneindig, transcendentaal getal is. Elke poging om de cirkel exact te berekenen of te materialiseren stuit op een oneindige reeks decimalen, de circel is ideëel. Zo is ook het bewustzijn de oneindige, transcendentale factor π van onze ervaringswereld: het structureert elke perfecte vorm die we zien, maar laat zich nooit tot een eindig, grijpbaar object in die wereld reduceren/definiëren.

Kan men volgens bovenstaande zeggen dat dat bewustzijn het axioma achter alle axioma’s is? Het derde oog. Het overziet niet slechts een specifieke wiskundige ruimte, maar is de transcendente voorwaarde voor het verschijnen van de ervaringswereld van mensen, dieren en andere bewuste systemen in haar totaliteit.

Elke poging van de wetenschap of AI-systemen om dit Derde Oog in een grafiek te trekken, stuit op de oneindige regressie van de metasystemen. Het pure bewustzijn is onwaarneembaar, zoals π  in de berekening van de volmaakte cirkel. Het is de grens van de wereld, de oogfunctie zelf, die alles zichtbaar maakt maar zelf eeuwig onzichtbaar blijft.

 Alomtegenwoordigheid

 Is bewustzijn alomtegenwoordig in de zin van panpsychisme? Panpsychisme bestaat, maar werkt anders in het kader van bovenstaande. Er is geen sprake kwantitatieve alomtegenwoordigheid van bewustzijn: het is niet alomtegenwoordig omdat er "een klein beetje bewustzijn in elke atoom zit" (zoals het naïeve panpsychisme stelt). Dat zou immers betekenen dat bewustzijn een object in de grafiek is, een manipuleerbare substantie.

Er is eerder sprake van geometrische alomtegenwoordigheid: Bewustzijn is alomtegenwoordig zoals de wetten van de meetkunde alomtegenwoordig zijn in een ruimte. Elk punt in een coördinatenstelsel (elke fysieke locatie, elk object) kan alleen bestaan bij gratie van het assenstelsel. Het is alomtegenwoordig niet als inhoud, maar als contexthouder. Fysieke objecten "hebben" geen bewustzijn; ze verschijnen binnen het axiomatische veld van het bewustzijn. Mensen, dieren en andere bewuste systemen.

Zouden we deze tekst en de vorige tekst op punten in overeenstemming met elkaar kunnen brengen? Kan men e.e.a. vanuit een ander wellicht omgekeerd perspectief zien?




woensdag 29 april 2026

 

Plato en Aristoteles(r) Wikipedia

EENHEID IN VEELHEID

Leven

Biologie is de leer van het leven, maar wat is leven? Je hebt chemie, dat is de studie van materie en de veranderingen die deze ondergaat. Alcohol is niet dronken, dimethyltryptamine (DMT) hallucineert niet. Ook als je het mengt met andere stoffen wordt dit mengsel niet dronken of gaat niet hallucineren. Om dronkenschap of hallucinaties te veroorzaken heb je leven en bewustzijn nodig. Er is echter geen enkele sluitende definitie van leven, wel zijn er voorwaarden. Er moet sprake zijn van groei, stofwisseling, voortplanting, evolutie etc., deze voorwaarden zijn echter allemaal noodzakelijke voorwaarden, geen voldoende voorwaarden om van leven te spreken. Kristallen kunnen groeien en zichzelf kopiëren, maar leven niet. Ook in AI duiken constructies op die aan noodzakelijke voorwaarden van leven voldoen, toch kunnen we (vooralsnog) deze constructies niet onder leven scharen. In het heelal is materie steeds gecompliceerder geworden sinds de oerknal. Deze kosmische evolutie is een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van gecompliceerde moleculen en van leven. Even een soort disclaimer voor we verder gaan. Deze blog doet aan filosofische brainstorming, concepten uit de wetenschap worden gebruikt, maar maakt geen aanspraak op wetenschappelijke nauwkeurigheid, dan wel degelijke wetenschappelijke of zelfs filosofische onderbouwing. Zie onderstaande op zijn slechts als een vorm van Science fiction. Het doel is denkmogelijkheden te verkennen; wel uitgaande van de eigen ideeën uiteraard.

Panpsychisme

 Één kenmerk van vormen van leven is bewustzijn, het reageren op de omgeving gecombineerd met de gewaarwording dat het “het iets is om te zijn”, een 1e persoonsperspectief. Evenals met betrekking tot het begrip leven is er ook geen sluitende definitie van wat bewustzijn is. Daarnaast is het extreem moeilijk om te detecteren als zelfstandig verschijnsel. De wetenschappelijke consensus is dat leven bewustzijn heeft gegenereerd.

Wat dit laatste betreft is het vaak interessant om te kijken wat er gebeurt als we oorzaak en gevolg omdraaien. Daar zijn genoeg voorbeelden van die later tot een succesvol wereldbeeld hebben geleid. Wat als niet de leven bewustzijn schept maar bewustzijn de leven.

Wat als bewustzijn fundamenteel is, zoals het panpsychisme leert. Het genereren van leven en intelligent bewustzijn is dan geen toeval maar een dispositie van het universum en alom aanwezig.

 Scholastiek

 Materie is dan niet de motor van het ontstaan van bewustzijn, maar materie evolueert zich rond bewustzijn. In feite is dit een stap terug, weg van het idee van Descartes als materie zijnde uitgebreide substantie naar het Scholastieke principe van materie als bezielde materie met een inherente teleologie. Terug zelfs voorbij Spinoza, de God van Spinoza had geen doelen, de materie van de panpsychist heeft de innerlijke drang vanwege het inherente oerbewustzijn om steeds complexer te worden om dit bewustzijn in de materie te ontplooien. Terug naar de formele oorzaak, de doeloorzaak van Aristoteles.

Kijken we naar de biologie, daarin zit al een soort geïsoleerde teleologie, het doel van DNA is immers een code reproduceren. Die code is informatie voor komende generaties. Het doel van deze biologische processen is door evolutie geteste informatie behouden. In die zin is Darwinisme weldegelijk teleologisch, zonder “voorbedachte rade”. Ook voor Aristoteles was een vormoorzaak zonder ontwerper voldoende, dit onderscheidt hem positief van de ongefundeerde moderne theorieën over intelligent design, waarom zou immers achter een doel een uit een theologische hoge hoed getoverde almachtige dubbelmens streven zitten. De informatietheorie is in feite een herontdekking van de vormoorzaak van Aristoteles.

Wat als we deze vormoorzaak ‘informatiebehoud’ naar voren brengen en aanwezig stellen in alle materie.  Hebben we daarmee echter ook bewustzijn in materie gebracht als fundamenteel in materie?

 Materie

 Materie bestaat uit structuren, atomen, elementaire deeltjes etc.. Een structuur is altijd een structuur van iets. Tenminste op grote schaal, als je ver genoeg doorredeneert taant dit principe. Elementaire deeltjes worden gezien als puntdeeltjes, ze zijn dimensie loos, maar hebben eigenschappen, ‘werkzaamheid’. Een elementair deeltje is een georganiseerd centrum van werkzaamheid; een knooppunt in een georganiseerd centrum van wat wij noemen informatie en krachten.

Hoe verder je doorredeneert in de microkosmos, bijvoorbeeld tot Plancklengte, hoe meer men tot de conclusie komt dat een elementair deeltje een wiskundige singulariteit is die de ruimte om zich heen vorm geeft. De  ‘vorm’, de structuur van de natuurwetten, is het enige vormgevend element, de materie blijkt een soort optische illusie op grote schaal. Massa is energie, maar ook de basis van massa is in de kwantumfysica terug te voeren op interactie met een veld, het Higgveld, een soort fundamentele eigenschap van de ruimte zelf. Fotonen hebben hier geen interactie mee.

Wat vooral overblijft is de logica, het bouwwerk, fysica wordt metafysica. We staan nu op een punt waar de oude Stoïcijnen reeds stonden, in grote lijnen dan. Het Hylemorfisme van Aristoteles klopt, alleen de Hyle, het hout is onvindbaar. Slechts de vorm van de structuur is over, een DNA code zonder vindbare materiële inbedding.

In dit gezichtspunt is de logica fundamenteel, die wordt alleen materieel bij uitzoomen op een bepaalde macro schaal. Het materiële heeft dan op één of andere manier op een bepaalde schaal, misschien zelfs beneden de Plancklengte, een immateriële basis.Uiteraard maken fysieke interacties en krachten materie reëel, maar wat zit daar bij doorredeneren achter.

 In-formatie

Wat nu volgt is puur speculatief. Pure in-formatie, datgene waardoor structuren en verhoudingen zich presenteren, zou dus fundamenteel zijn, zonder iets onderliggend materieels; maar waar komt die ‘in’ vandaan. Die ‘in’ heeft betrekking op een vorming binnen een bepaald kader, anders zou het gewoon vorming zijn oftewel formatie.

In DNA is informatie formatie in het kader van nageslacht. Het feit dat de formatie doorgegeven wordt maakt het informatie in het kader van de volgende fase. Maar in welk kader is de informatie op kwantumniveau niet gewoon willekeurige formatie?

Stand alone informatie als zodanig is meer dan alleen formatie en is in de aard der zaak een voortschrijdend proces, een sneeuwbaleffect, het houdt zichzelf instant om informatie te blijven anders wordt het gewoon formatie. Dit is een vermenging van natuurkunde gericht op materie en taalkunde, maar als er geen materie is, alleen structuur, vervaagt het onderscheid, natuurkunde wordt steeds meer wiskunde/taal. Één van de kenmerken van leven is omgevingsgerichtheid. Ook bewustzijn is altijd naar de buitenwereld gericht. We hebben geen toegang tot de informatie die we zelf zijn. Als de ogen, die zien zichzelf niet maar wel datgene dat buiten hen is. Het universum produceert informatie uit formatie, dit zou men dan als axioma kunnen stellen, een soort fundamentele wil als Schoppenhauer beschreef als basis voor de werkelijkheid.

 Universum als tautologie

 Hier zit hem de crux met wat wij de 1e persoon noemen; alle formatie is uiteindelijk informatie, stelt zich als zodanig en wil zichzelf informeren. Informatie die zichzelf wil informeren is dan proto bewustzijn, een eerste stap naar gecompliceerd bewustzijn, informatie dus die zichzelf als ontvanger heeft. De kosmos is een soort tautologie, informatie die zichzelf informeert, het universum is wat dit betreft circulair eindig, het stelt ‘ik ben die ik ben’, het universum als niet op naam maar op zichzelf gestelde informatie, een eindeloos spiegelpaleis, een droste-effect. Informatie veronderstelt een informatie hebbend subject of situatie die in het begrip ‘in’ zelf zit opgesloten, informatie wordt op een rudimentaire manier gewild, anders is er slechts willekeurige formatie. De willende instantie maakt hier circulair, de wereld is een eindeloos zelflerend systeem/proces óver zichzelf, dit veroorzaakt proto bewustzijn dat mens en dier ver overstijgt. De logica van de taal/wiskunde en fysica (het verschil formatie en informatie is taalkundig), normaal gescheiden, vloeien op deze fundamenteel a-materialistisch of in ieder geval vaag materialistische schaal in elkaar over. Dit proces vertaalt zich bij uitzoomen naar macro-schalen in materiële evolutie om zichzelf te definiëren, het werkt als een soort emanatie vanuit voor ons onzichtbare schalen. Het heelal moet wel een soort narcistische tautologie zijn, het is immers alles dat er is.

 Oplossingen

 Bovenstaande is een forse en volkomen onbewijsbare constructie, een teleologie rond fundamenteel bewustzijn zou niettemin een aantal zaken beter kunnen verklaren. Zaken waarvoor ter verklaring in de niet teleologische visie constructies zijn bedacht die in feite nog veel grotesker zijn.

Bijvoorbeeld de ‘fine tuning’ om een universum te krijgen waar we nu in leven. De kans daarop na de oerknal was volgens fysici slechts 1 op de 10⁶⁰, onwaarschijnlijk klein. Om dit probleem op te lossen zodat ons universum toch het resultaat van willekeurige toeval zou kunnen zijn opperde men de eveneens onbewijsbare multiversum theorie. Er zijn in principe oneindig veel universa zodat het feit dat het onze er tussen gewoon zit te danken is aan de wet van de grote (gigantische) getallen. Dit vergt echter nogal ingrijpende gedachtenconstructies. Hoeveel universa, hoe, waar, wat is een universum etc.. Één en ander zou men kunnen omschrijven als ontologische overdaad of zelfs een ontologisch paardenmiddel (desperate remedy) om een teleologische verklaring te omzeilen. (de term is van Ans Hekkenberg, die juist het bestaan van een multiversum verdedigde). Als bewustzijn fundamenteel is, dan is de huidige staat van de wereld te verklaren vanuit de ontwikkeling daarvan en geen onwaarschijnlijk toeval meer. De noodzaak van het poneren van een gigantische hoeveelheid universa verdwijnt dan. Andere problemen die deze stellingname zou oplossen zijn het in solipsisme ontaardend idealisme en “the hard problem” van David Chamlers.  Waarom zien we bijvoorbeeld rood terwijl in het neurologisch waarnemingsproces geen spatje rood aanwezig is. We zien echter qualia als bijvoorbeeld de kleur rood en hebben een 1e persoonsperspectief omdat dit de aard van de wereld is. Wij zíjn de wereld, geen indirecte door onze hersenen gecreëerde wereld. Rood is de taal waarin de informatie-wil zich aan zichzelf meedeelt, gevolg van de informatiedaad. Het is de wereld die onze hersenen hun mogelijkheden schenkt, als we denken denkt de wereld, de denklogaritmen bevinden zich in de wereld. Met AI verlengen we onze hersenen net als we met een grijper onze armen verlengen, echter binnen ons bewustzijn.

 Zintuigen/hersenen

 De hersenen echter coderen en kanaliseren alleen maar de zintuigelijke en andere indrukken, ze beperken om een voor de lichaamsmaterie leefbare toestand te creëren. Slecht, onvolledig of afwijkend coderende en kanaliserende hersenen, bijvoorbeeld door middelen, leiden tot ‘geestverruiming’ en uiteindelijk tot de ondergang van de materie. De mens als materieel wezen is niet geëvalueerd voor direct bewustzijn, dat zou zijn materiële ondergang betekenen.

De materie geeft definitie aan de wereld, zonder kanaliserende materie geen definitie, wat niet wil zeggen dat bij uitval van de kanaliserende functie van delen materie de wereld verdwijnt. Materie lokaliseert bewustzijn, koppelt het aan functies en plaatst het in een bandbreedte in ruimtetijd. Onze hersenen zijn levende structuren, het bijzondere van deze levende structuren ten opzichte van dode AI structuren is dat ze direct aan bewustzijn gekoppeld zijn en niet indirect als AI structuren. AI is indirect, via ons, aan de wereld gekoppeld. AI is syntaxis uiteindelijk toegepast met onze sematiek. Ook AI kan niet vertellen hoe je (gedachte-experiment) “dork moet gnuiven” als je er vanuit gaat “gnuiven” een zintuigelijke functie is die wij niet kennen maar wel bewoners van Kepler-452b. De syntaxis van AI zou gevuld moeten worden door Keplerbewoners met de semantiek met betrekking tot gnuiven om betekenisvol te zijn. Dit lukt evenmin als dat AI in een blinde wereld van voor die wereld betekenisvolle gegevens over kleuren kan worden voorzien. Wij geven met ons bewustzijn AI resultaten indirect betekenis.

Om een vergelijking met vuur te maken, als bewustzijn vuur zou zijn, dan zouden hersenen brandbaar materiaal zijn, het bewustzijnsvuur gebruikt de hersenen als een bosbrand het bos, de materie van AI zou onbrandbaar materiaal zijn. Hoe brandbaar materiaal ook is, het veroorzaakt geen brand. Hoe kan de bewustzijnsvonk dan gebruik maken van de neuronen in het brein en niet van siliconen chips? De reden voor dit verschil zou best wel diep in de aard van materie/het universum en de evolutie daarvan kunnen liggen.

 Micropsychisme/kosmopsychisme

 Het gezichtspunt dat fundamentele dingen bestaan op microniveau noemt men ook smallisme. Feiten over grote dingen zijn gegrond in feiten over kleine dingen, waarbij het microniveau fundamenteel is. Als panpsychisme klopt en bewustzijn dus fundamenteel is, dan is er volgens dit gezichtspunt microbewustzijn. Wat dit microbewustzijn precies is kunnen we niet zeggen maar het staat ver af van menselijk bewustzijn en ervaring. Misschien berust het in de inherente neiging van informatie om materie te worden.

‘Priority monism’ is het omgekeerde van Smallisme. Jonathan Schaffer stelt dat feiten over kleine dingen gegrond zijn in grote dingen, atomen in de tafel bestaan omdat de tafel bestaat. Als men op deze manier doorredeneert bestaan de dingen uiteindelijk bij de gratie van het grootste object: het universum als geheel. Er bestaat dus maar één fundamenteel concreet object en dat is het universum, dit bezit ontologische prioriteit en gaat vooraf aan andere objecten. Alles behalve het universum zelf is een afgeleide van het universum. Ongeveer parallel aan de metafysica van dit priority monism is het priority cosmopsychism. Priority monism stelt dat er maar één basisobject bestaat, het universum, priority cosmopsychism stelt dat er maar één basisbewustzijn bestaat, het kosmisch bewustzijn. Dit heeft ontologische prioriteit over andere bewustzijnen, alle andere bewustzijnen zijn afgeleiden van dit kosmisch bewustzijn. Bij deze vorm van panpsychisme is het universum elementair en als zodanig bewust zo merkt ook Itay Shani op. Hij spreekt in dit kader van het “absolute” (Zie hiervoor ook de blog Ruimte/tijdservaring als zwermfenomeen van het organisme bij panpsychisme 10 dec. 2025).

Toch zou deze tegenstelling tussen veelheid en eenheid wel eens op het onvermogen van onze perceptiemogelijkheden kunnen berusten.

 Tegenstelling eenheid/veelheid als optische illusie

 Veelheid is op een onbegrepen manier slechts schijn. Fotonen bewegen zich voort op de lichtsnelheid. Op de lichtsnelheid bestaat geen tijd, dus ook geen ruimte. Zonder ruimtetijd is veelheid onmogelijk. Vanuit het perspectief waaruit licht voortkomt, de lichtsnelheid, bestaat geen veelheid aan fotonen maar slechts één singulariteit/foton; de zon van Plato is concreter dan we dachten. Helaas dit alles kunnen we gebrekkig denken, dit ligt niet aan het feit dat een fotonperspectief onzin zou zijn, een oerknalperspectief is dit immers ook niet, maar aan onze hersenen.

Als we onszelf beleven, beleven we het hele universum, zoals wij onszelf beleven, beleeft materie zichzelf. De grens tussen waarnemer en het waargenomen vervaagt; het subject verdwijnt in de wereld als de vorm van een wolk als we er doorheen vliegen.

 

donderdag 26 maart 2026

 


                    Aartsengelen Michael en Gabriël icoon 12e eeuw. Wikipedia

                                                ENGELEN

 Als er niet materiële geesten bestaan leidt dat tot allerlei problemen. Deze problemen werden reeds in de middeleeuwen gesignaleerd in verband met engelen.

In de middeleeuwen hielden scholastici als Thomas van Aquino, maar ook Arabische en Joodse geleerden als Maimonides en Al Farabi zich bezig met angelologie, de leer over engelen. Vaak pasten ze een zeer goed ontwikkelde logica toe op problemen van het niet materiële, zodanig dat wij er nog van zouden kunnen leren. Ook als ze niet zouden bestaan (een ketterse bewering in die tijd) waren engelen nuttige gedachtenconstructies ten aanzien van complexe vragen. Hoe werkt pure informatie? Wat is de aard van logica en tijd? Engelen dienden om de logica daaromtrent te kunnen formuleren; later werden de middeleeuwse scholastici ten onrechte beschuldigd van scherpslijperij. Dit zijn echter vraagstukken die door de moderne wetenschap actueler zijn dan ooit.

 Engelen zijn immaterieel. De vraag in verband met hun immaterieel zijn is: waar eindigt de ene engel en begint de andere? Kunnen ze elkaar overlappen? Diverse antwoorden zijn hierop gegeven. Globaal komt het er op neer dat een engel daar is waar hij zijn geesteskracht uitoefent. Ze verschillen van elkaar zoals getallen van elkaar verschillen, 4 is geen 5 etc.. Dat onderscheidt hen ook van God die overal is. Een engel valt samen met zijn intellectuele daad, er is geen onderscheid tussen denken en gedachte. Hij redeneert niet maar ziet direct, ze zijn immers niet aan zintuigen gebonden.

Volgens Thomas van Aquino verplaatsen engelen zich ook niet door de ruimte. Omdat ze geen lichaam hebben is afstand voor hen niet van toepassing, dat is immers iets in ruimte waaraan ze als entiteiten zonder stoffelijk lichaam niet gebonden zijn. Ze communiceren direct door hun wil te richten op een andere engel, de informatie is er onmiddellijk ongeacht de afstand. Analoog aan een in onze tijd ontdekt verschijnsel van quantum entanglement waarin de status van het ene deeltje de status van het andere bepaald ongeacht hun onderlinge afstand.

De taakuitvoering van een engel bepaalt zijn locatie, hij is in een soort superpositie, pas als hij werkzaam is heeft hij een locatie, net als elementaire deeltjes dat hebben als ze gemeten  worden. Een engel is dus geen rondvliegend individu maar een knooppunt in een niet-lokaal netwerk van informatie en actie. Vertelt dit iets over de verhouding tussen bewustzijn, informatie en materie? Wat is de functie van materie? Natuurwetten zonder materiële natuur zouden als verkeersregels zijn zonder verkeer. Getallen zonder dat er iets is dat in getallen uitgedrukt kan worden, zou dat kunnen bestaan? Bewustzijn zonder materieel kader kan nergens op gericht zijn. Bewustzijn is immers altijd bewustzijn van iets.

 Informatie/formatie

 Materie is op ons niveau de drager van informatie, behalve bij engelen maar die bestaan hoogstwaarschijnlijk niet. Op Microniveau is de situatie compleet anders. De grote vraag zou kunnen zijn: op welk basis-microniveau begint pure materie waarin informatie is gevat? Bij superstrings, of nog dieper? Dit is de aloude vraag naar ‘substantie’ het onderliggende, de vraag van Descartes, Spinoza en Leibniz. Het meest voor de hand liggende antwoord met de kennis van nu over puntdeeltjes, massaloze fotonen, zwarte gaten is dat er uiteindelijk helemaal geen materiële substantie is maar alleen informatie. Informatie/wiskunde zonder uiteindelijke gegevensdrager zou het onderliggende van de wereld zijn. Een vorm van modern Platonisme, een filosoof van 2500 jaar geleden wint.

Een elektron bestaat uit een set getallen een veld, waarin dit elektron een rimpeling is. Elektronen  zijn puntdeeltjes ze hebben geen afmeting of intern volume, het is een punt met eigenschappen. Ze hebben wel massa door hun interactie met een al even materie loos Higgsveld. Je bent nu op het punt waar de moderne natuurkunde en de angelologie van Thomas van Aquino elkaar de hand schudden: de engel als "intellectuele daad" die een locatie heeft door zijn werking, verschilt fundamenteel niet van het elektron dat "massa" heeft door zijn interactie.

 Wat is informatie? Informatie is de buitenwereld die zich “vorm geeft aan de geest”, In-formare. Maar de pure vormen in de natuur, waarom noemt men die dan informatie? Ook Plato sprak van een vormenwereld als basis van alles, niet van een informen wereld. Is er onderscheid tussen formatie en informatie? Waar in-formatie onder meer plaatsvindt is in bewustzijnen met behulp van de hersenen, en dan is het nog de vraag hoe goed. Informatie veronderstelt een informerende instantie bijvoorbeeld een bewustzijn. Toch komt in deze redenering het menselijk/biologisch gezichtspunt tezeer centraal te staan, de mens, het bewustzijn, los van de wereld. Informatie maakt immers onafscheidelijk deel uit van de formatie van het universum, is er identiek aan. Informatie bevindt zich niet binnen een schedel, het begrip hersenen is een begrip dat alleen op een bepaalde macro-schaal bestaat. Informatie door hersenen gestuurd is ook onderdeel van formatie van de wereld. De elektronische codes tussen neuronen die bijvoorbeeld de gewaarwording van de kleur rood of pijn veroorzaken zijn structuren. Die misschien wel dieper in materie gaan dan de spanningsverschillen in de hersen die wij meten, op een niveau waar onze macro vormen hun betekenis als afgescheiden structuren hebben verloren. 

Als materie niet uit een fundamentele substantie bestaat maar uiteindelijk alleen maar uit verhoudingen en structuren, dan kan men verdedigen dat onze hersenen een bepaalde bestaande structuurmogelijkheid uitfilteren of faciliteren waardoor bewustzijn verschijnt. Ze zijn dan geen producenten van bewustzijn maar ontvangers. Misschien is deze structuur, die wij als ons bewustzijn ervaren, wel de uiteindelijke structuur waarbinnen alles ingebed is, de essentie van alle structuurzijn in de wereld waarnaar alle structuren te weten materie/energie zich organiseert. Een soort neo-platonisch emanatie-idee, zich ondermeer verwerkelijkend in onze hersenen. 

 Structuur gebruikt materie

 Neem een bosbrand, die ontspruit niet uit het hout van het bos, het hout ontvangt de brand omdat de eigenschappen van hout daarvoor geschikt zijn. De oorzaak ligt elders, een bliksemflits etc.. De brand wordt nadat het bos vlam vat, als het ware een zelfstandige entiteit die het hout gebruikt voor zijn voortbestaan. Het bos is dan als het ware in dienst van de bosbrand, die pas gaat liggen als het bos hapert doordat het nat is of als het bos op is. Misschien kunnen we bewustzijn wel met een bosbrand vergelijken die het bos gebruikt maar niet het bos is.

Je kunt zeggen, ‘bewustzijn is slechts een bijverschijnsel van de hersenen’, maar dan zeg je hetzelfde als dat een bosbrand een bijverschijnsel van een bos is. Beide gezichtspunten zijn logisch gezien mogelijk, je kunt ook zeggen dat de aarde en zon rond de maan draaien al naar gelang het perspectief dat je wilt innemen, kwestie van referentiekaders. Omdat de zon en de rest van het heelal onmetelijk veel groter is als de maan zeggen we dat de maan om de aarde draait etc. Een bosbrand is een overweldigend bijna autonoom verschijnsel, hetzelfde geldt voor bewustzijn, als overweldigend verschijnsel dat de hersenen gebruikt.

Ontbranden, verbinden met zuurstof, is echter geen verschijnsel dat beperkt is tot een bos, allerlei materialen branden. Wellicht is ook bewustzijn net als brand in allerlei materialen op te roepen. Bewustzijn gebruikt misschien diverse materialen om zich materieel te manifesteren, zoals vuur brandbaar materiaal gebruikt. Als het bos op is, verdwijnt de bosbrand, maar niet de zuurstof en de reactie die de brand mogelijk maakte.

Als de hersenen op zijn verdwijnt de persoon. Echter niet het bewustzijn dat de persoon mogelijk maakte. Soms missen mensen bij geboorte 90% van hun hersenen en ontwikkelen ze zich onder bepaalde voorwaarden toch tot normaal functionerende mensen. De structuur, de netwerkverbindingen zijn klaarblijkelijk belangrijker dan de hoeveelheid weefsel. Bewustzijn weet als het ware, ondanks beperkingen, toch op een normale manier door te komen. Misschien dat gevallen van plotselinge terminale helderheid van dementen of mensen met hersenletsel waarvan de hersenen verregaand beschadigd zijn ook berust op bewustzijn dat toch nog door weet te komen. De hersenen filteren even niet, uit de as ontvlamt nog even een nieuw vuur. Bewustzijn weet de aan haar onderhavige materie nog even aan te wenden.

Als alles berust op structuur zonder uiteindelijk fundament dan is de logica van de angelologie misschien toch actueel en het bestuderen waard.

 

 

dinsdag 24 februari 2026


         VRAGEN 

  

Wikipedia ‘Questions’

Wat is de vraag? Vragen is meer dan een taalhandeling. De taalhandeling, de vraagzin, is slechts een instrument om een vraag uit te drukken, de vraag gaat aan taal vooraf, het is een geestestoestand. Vragen zijn ouder dan de mens en fundamenteler dan de wil.

Wil zonder onderliggende vraag is ongerichte wil, ‘de wil is de wil tot antwoorden’ waaraan de vraag ten grondslag ligt. Niet de wil tot macht maar de vraag aan de wereld is het fundamentele en de motor achter alle evolutie. Zonder antwoorden op vragen is er geen macht, onwetendheid is onmacht, ongerichte wil is onmacht.

De vraag is geen taalhandeling maar een gebrek, een gebrek aan evenwicht tussen de vragende instantie en de wereld. Het ontbreekt de vragende instantie aan informatie over de wereld, in de vraag scheidt een vragend subject zich af van de wereld als geheel, de wereld als geheel waartoe zijn ervaringsapparaat slechts gedeeltelijk toegang heeft. In het spanningsveld tussen het vragende subject als deel van de wereld en de onvolledig gekende wereld als zodanig ontstaat de vraag. Waar kan ik voedsel vinden? Waar bevindt zich de kudde mammoeten? Wat is die donkere materie in het heelal? Het al dan niet succesvol zijn van dit zoekproces definieert de evolutie van organismen, hersenen en technologie.

Dit spanningsveld tussen een subject en de wereld waaruit het vragen ontspruit is ouder dan de mensheid. Ook dieren zoeken en zoeken is de wereld bevragen zonder taal, ‘waar is voedsel?’

We stellen vragen aan elkaar, maar mijn medemens is deel van de wereld en ervaart de wereld. Als ik mijn medemens een vraag stel dan bevraag ik indirect de wereld als geheel.

Onze hersenen instrumenten en algoritmen en zijn niet in de eerste plaats geëvolueerd door de wil maar door de vraag. Het zijn zintuigen gericht op vragen. Ze komen voort uit de wil tot antwoorden. De waarheid is onkenbaar, onbereikbaar met onze zintuigen en brein, maar toch de poort om haar zo dicht mogelijk te benaderen is de vraag.

Dit is de kern van het Socratisme, niet de antwoorden van de sofisten leiden naar de waarheid maar de vragen, een waarheid die zich in een aporie, een filosofische impasse waarbij het denken vastloopt, verbergt. Een aporie die op zijn beurt weer tot verdere vragen aanleiding geeft. Een soms pijnlijk altijd doorgaand soms tragikomisch proces van radeloosheid en twijfel, lijkend op een bevalling. Socrates wist niets, volgens eigen zeggen, dus had overal vragen over. Niet de wetende monoloog van de sofist en dominee maar de vragende dialoog met mijn medemens en de wereld is de poort naar de onbereikbare waarheid. De wereld en je medemens bezit je nooit, je kunt de wereld inclusief je medemens slechts bevragen tot de volgende aporie.

We zijn na Socrates zozeer op antwoorden gericht dat de waarde van de vraag zelf ons ontgaat, we zijn in een staat van vraagblindheid. We willen te snel antwoorden en zijn bang voor de aporie, we geloven liever in ‘relatieve waarheden, eigen waarheden of we vinden de waarheid hetzelfde als een mening. Dit is een reden voor de hedendaagse informatiecrisis. De waarheid is niet langer een horizon maar een bezit, “mijn waarheid!” een instrument en wapen waarmee we macht over de wereld proberen te verkrijgen, ten koste van die wereld en onszelf. We willen snel antwoorden en zijn bang voor onbeantwoorde vragen. Niet te ‘beantwoorden’ vragen weigeren we te stellen, vergeten zijn we dat het ‘niet-antwoord’ het beste antwoord is op een onbeantwoordbare vraag waarvan het stellen  en het niet beantwoordbare al een antwoord in zich draagt, voorbij de taal. Hierbij denk ik aan de apofatische theologie, de via negativa en de Tao die niet genoemd kan worden. Wittgenstein stelde, “Waarover men niet kan spreken daarover moet men zwijgen”. Heel de Tractatus werkt juist naar deze vaststelling toe, het brandpunt van zijn filosofie, of zelfs dé filosofie, een aporie in Socratische zin. Hij werkte hier naartoe zoals Socrates toewerkte naar aporieën. Deze ene laatste zin van de Tractatus bundelde als het ware zijn filosofie en waarheidsverlangen. Velen hebben deze conclusie foutief geïnterpreteerd als een verbod om niet direct in taal te beantwoorden vragen te stellen.

We lijken op de graalridder die door zijn opvoeding heeft afgeleerd vragen te stellen, over de lijdende Visserkoning en de graal; als in een plechtige processie van graaldraagsters de graal aan hem voorbijtrekt. Het stellen van de vraag doorbreekt de isolatie van het subject ten opzichte van de wereld. Een vraag naar het onbeantwoordbare gaat verder dan alleen maar een informatieverzoek dit vragen kan het individu in de wereld bevestigen. Het is de vraag naar grenzen en verbinding, de vrager komt dichter bij de waarheid ongeacht een kant en klaar antwoord.

Het is de ‘vraag’ naar handhaving, voedsel en beschutting, die onderdelen van de natuur zich heeft doen afsplitsen tot plant, dier en mensdier. Waarom is de natuur vragen gaan stellen? Waarom ontstond vragende materie? Is ‘vragen’ zonder taal een inherente eigenschap van materie, is dit de conatus, de inherente kracht of het streven van elk ding om in zijn eigen bestaan te volharden?

Als we een vraag stellen bundelen we onszelf tegenover de wereld waar wij echter zelf deel van uitmaken om de waarheid van de wereld als antwoord te krijgen. De wereld bevraagd zichzelf over haar eigen waarheid. Intelligentie is combinatievermogen, de impliciete of expliciete wil om vragen te stellen is bewustzijn. Waarheid berust op een dialoog met de wereld met medemens, is schijnbaar onafhankelijk van ons maar maakt via de wereld waar het een onderdeel van is toch onderdeel van onszelf uit, omdat wij ook onderdeel van de wereld zijn. Hetzelfde geldt voor het goede en het schone. Als iets goed is voor mij ten koste van een ander dan is dat niet het goede zoals het zich achter de onbereikbare horizon of buiten de grot bevindt. Ware schoonheid gaat ook niet ten koste van andere schoonheid. Het Goede, Ware en Schone zijn strevingen diep in de natuur verankerd. Het afstand doen van deze strevingen betekent uiteenvallen in schijnwaarheden, commerciële kitsch en als goedheid vermomd eigenbelang. Wat dit betreft zijn metafysica en ethiek niet te scheiden. Wie de geest van het woud, de geest van de vlakte, van de bergen en van de medemens vernietigt, door ze op te eisen vernietigt ook zijn eigen geest. De weg naar het onbereikbare ene, noem het de graal om toch een beetje new age achtig te doen, het antwoord der antwoorden, is een weg van vragen niet van antwoorden.

In de Verenigde Staten heerst een man met een aversie tegen het bevragen van de situatie van de aarde de samenleving en zichzelf. De wereld wordt beheerst door mannen van de monoloog, die hún waarheid in pacht hebben.

 


dinsdag 6 januari 2026

DE ONMOGELIJKE GRENZEN VAN DE NIET-RUIMTETIJD

 



Friedrich Schelling Wikipedia

Bewustzijn is niet op zichzelf gericht maar altijd naar buiten en daarom gebonden aan een bepaalde ruimte/tijdsschaal, zo blijkt uit voorgaande. Een bewustzijn op de schaal van een mens bijvoorbeeld, is afhankelijk van zintuigelijke waarnemingen binnen een bepaalde ruimte en is zich direct bewust van gebeurtenissen die zich om hem heen in een bepaald tempo voltrekken. Geheugen en extrapolatie kunnen de ruimtetijd van dit bewustzijn echter vergroten.

Kant beschouwt ruimte/tijdservaring als een eigenschap van het transcendentale subject. Het zijn volgens hem de vormen van de zintuigen, de zintuigen zouden de dingen in ruimte-tijd aan het subject presenteren, ruimtetijd als een soort a-priori aanwezige bril van het transcendentale subject, waardoor we de wereld waarnemen. Ruimtetijd zou niet buiten het subject bestaan.

De wetenschap heeft echter vastgesteld dat ruimtetijd nauw verweven is met zwaartekracht en acceleratie van materie. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat ruimtetijd alleen in subjecten kan bestaan. Het is echter nog mogelijk dat onze hele natuurkunde de wereld toont zoal hij door het transcendentale subject wordt ontcijfert. Toch is deze positie problematisch, wat is namelijk het geval?

Kant laat ruimtetijd (als onderdeel van het transcendentale subject) grenzen aan niet-ruimtetijd in het noumenale, dit omdat bovenstaande impliceert dat ruimte en tijd alleen als vormen van de zintuigen bestaat. Dit is echter volgens mij problematisch. Waarom?

Voor tijd geldt; verleden kan aan heden grenzen, heden kan aan het verleden of toekomst grenzen. Voor ruimte geldt; ruimte kan aan andere ruimte grenzen, een kamer kan aan ruimte in de bakstenen van de muren grenzen (in baksteen is net als in alle materie gewoon ruimte) en die ruimte grenst weer aan een andere ruimte.

Tijd en ruimte kunnen echter niet aan niet-ruimtetijd grenzen, dit ontgaat Kant, pas Heidegger heeft enig begrip wat er in een Kantiaanse wereld zou gebeuren.

 Het noumenale zou dus volgens Kant, in tegenstelling tot de fenomenen (zoals het transcendentale subject de wereld waarneemt), geen ruimtetijd kennen. De fenomenen zouden wortelen in het ‘ding an sich’ zonder ruimtetijd, het ding an sich gaat niet met ruimtetijd gepaard, ruimtetijd gaat uit van het transcendentale subject.

Als het subject ophoudt te bestaan, bij de dood, zou er geen ruimtetijd meer bestaan. Er zou geen ooit bestaan, het ‘wanneer’ dat het subject heeft geleefd, er zou ook geen ergens meer bestaan, het ‘waar’ dat subject heeft geleefd. De niet-ruimtetijd kent geen heden derhalve geen verleden, geen ooit of ergens. De begrippen heden, verleden en toekomst impliceren tijdsverloop, hier of daar impliceert ruimte. Je kunt niet zeggen ‘vroeger was er tijd’ of zelfs maar ‘een seconde geleden was er tijd’. Heidegger stelt, het “nichts nichtet”. Vrij vertaald betekent het "het Niets nietst" en dat geldt bij uitstek voor ruimtetijd. Heidegger wilde hiermee aangeven dat "het Niets" geen statisch begrip is of simpelweg de afwezigheid van iets, maar een actieve "werkzaamheid". Het is de ervaring van de totale betekenisloosheid die ons confronteert met het feit dat er überhaupt iets is in plaats van niets. Na annihilatie van een bewustzijn zouden met het verdwijnen van het ooit/ergens alle bewustzijnen  verdampen, hun zin en zelfs bestaan verliezen, ze hebben geen waar en wanneer meer. Het zou zinloos zijn om van ooit/ergens te spreken, solipsisme zou het resultaat zijn, alleen mij́n tijdsspanne is de wereld en geen onderdeel van de wereld. Ruimtetijd is een onderdeel van de wereld die ergens en ooit bestaat en waaruit wij verdwijnen en niet iets dat wij toevoegen en dat verdwijnt als wij verdwijnen zodat er geen ergens en ooit meer is.

Het transcendentale en het noumenale vormen bij Kant één onscheidbare wereld, maar toch dwingt de dood in zijn systeem een grens te trekken tussen beide zijnsvormen van de wereld, omdat het transcendentale subjectief fenomenale perspectief  (waaronder ruimte en tijd aldus Kant) met de dood van het transcendentale subject als individu verdwijnt. De volgens Heidegger werkzaam “nichtende” niet-tijd, maar dus impliciet verondersteld door Kants noumenale, zou dan intreden, het ‘ding an sich’ zou blijven bestaan buiten het subject om. Bij Kant worden we niet geboren en sterven we niet in de wereld/tijd maar met de wereld/tijd. De dood is bij Kant noodzakelijk de grens tussen ruimtetijd van het beëindigde subject en de niet-ruimtetijd van het voortbestaande ruimtetijdloze ding an sich. Dood is daarmee echter ook het einde van het “ergens/ooit”, zonder ruimtetijd is er geen “ergens/ooit” meer, geen verleden op een bepaalde plek meer. Heidegger stelt terecht dat niets kan mengen met het niet zonder zelf vernietigd te zijn. 

Mijn overgrootouders hebben ooit ergens bestaan, ook na mijn dood hebben ze dit. Het is volgens mij dan ook niet het subject/het bewustzijn dat de ruimtetijd bergt, de oplossing is dat andersom, de ruimtetijd het bewustzijn bergt. Ons bewustzijn is in de fysieke ruimtetijd, ruimtetijd is een eigenschap van de wereld zelf in wisselwerking met materie, geen eigenschap van een subjects waarneming, los van de wereld buiten dit subject, zoals Kant dacht. Met de annihilatie van het bewustzijn zou in de theorie van Kant ook het ooit/ergens als zodanig geannuleerd worden. Wij zijn van de materie en ruimtetijd en leven daarin en niet andersom. Dit is een voorwaarde waarbinnen panpsychisme mogelijk is. De wereld spreekt tot ons via de zintuigen en het brein, het zijn niet het brein en zintuigen die onze wereld vorm geven. Wel spreekt de wereld tot ons via zintuig/brein taal. "Ons subjectief ervaren supervenieert over de objectieve ruimtetijd." Ik pleit in feite voor een ontologisch realisme (of materialisme) als noodzakelijke voorwaarde om de continuïteit van de werkelijkheid te waarborgen.

In feite is dit het standpunt van de oude Grieken door Descartes en later vooral Kant omgedraaid. Het was Schelling die op zijn beurt Kants model terugdraaide: hij stelde dat de natuur niet slechts een passief object is voor ons subject, maar een onafhankelijke productiviteit die aan ons voorafgaat. Voor hem is de natuur "onbewuste geest" en de menselijke geest "bewuste natuur". Dit sluit naadloos aan bij het idee dat de ruimtetijd het bewustzijn bergt in plaats van andersom. Schelling is dé filosoof die de overstap maakte van de subjectieve ruimtetijd van Kant naar een objectieve, bezielde natuur waarin wij als bewuste wezens zijn ingebed. Hij voorkomt hiermee de "nietsing" van de wereld bij de dood van het individu, omdat de natuur haar eigen productiviteit en geschiedenis behoudt. 

Ik stel dat de wereld tot ons spreekt via zintuiglijke taal. De dood is dan het stoppen van de vertaling, niet het ophouden van de tekst.
In het Duitse idealisme (Kant/Fichte) is het subject de auteur van de tekst. Als de auteur sterft, verdwijnt het boek.
In mijn (en Schellings) visie is het subject de lezer. Als de lezer sterft, blijft het boek (de ruimtetijd met al zijn geschiedenis) gewoon in de kast staan.

Dit maakt panpsychisme mogelijk: het bewustzijn is geen toevallige buitenstaander die de wereld creëert, maar een inherente mogelijkheid van de materie zelf om zichzelf te "lezen". Het overgrijpende "ooit en ergens" is de objectieve bladzijde waarop wij geschreven staan. Schelling is de enige die de Natuur (fysis) een status gaf die parallel loopt aan het bewustzijn. Hij noemde zijn filosofie uiteindelijk "Positieve Filosofie", waarbij hij uitging van het feitelijke bestaan van de wereld (het zijn) als voorwaarde voor het denken, in plaats van andersom. 

Het is dan Hegel die de ultieme stap maakt door het subject op te heffen in de ‘absolute geest’. Hij is in feite een Spinozist, wat hij zelf ook benadrukt, maar dan met een dynamische insteek. In feite een vorm kosmopsychisme als variant van panpsychisme.

Wordt vervolgd