Het alziend oog, Sint Jan Den Bosch (Wikipedia)
HET OOG
De vorige tekst gaat uit van
aanwezigheid, een immanente wereld die zich duidelijk
meedeelt in de ervaring. Deze tekst weerspreekt de vorige en tracht het gecompliceerde,
ongrijpbaar en verborgen karakter van het zijn en zijnde te beschrijven. De
essentie van de wereld is verborgen, onbereikbaar en wijkend. Omdat het hier om filosofische brainstormen gaat neem ik de vrijheid om grote sprongen te maken, die wellicht niet allemaal gerechtvaardigd kunnen worden.
Kant stelt dat we de wereld nooit kunnen zien zoals hij is, we zijn afhankelijk van onze waarnemings- en ervaringsmogelijkheden. Perspectiefloos ervaren kan niet. De wereld zoals hij is noemt hij het “Ding an sich”. De mens zoals we hem kennen wortelt echter, net als alles, als entiteit in het voor ervaring en zintuigen ondoorgrondelijke Ding an sich. Je hebt de mens als verschijnsel in de fysieke wereld, onderworpen aan de natuurwetten en de noumenale zijnswijze op de mens als vrij en moreel wezen buiten de tijd, ook wortelend in het ‘Ding an sich’.
Schopenhauer nam de filosofie van Kant als uitgangspunt maar vond een unieke sleutel via zelfreflectie. Hij stelde via deze zelfreflectie de ‘wil’ als belangrijkste component van zijn waarnemen en handelen en trok dit door naar de wereld als geheel. De tijdloze, ruimteloze doelloze en onverdeelde wil is volgens hem de oergrond van de wereld; de verschijnselen zijn slechts illusies van de waarneming. De fysieke wereld is de “Vorstellung” van de ene ondeelbare wil.
Panpsychisten
Wetenschap gaat niet over de intrinsieke aard van de wereld maar vooral over verhoudingen. Het probleem van zowel Schopenhauer als vormen van panpsychisme
zit hem in het begrip van zelfreflectie.
Ludwig Wittgenstein drukte het in de Tractatus heel kernachtig uit in een beeld, “het oog kan zichzelf niet zien”. Niets in mijn blikveld voert tot de conclusie dat het door een oog gezien wordt (Ludwig Wittgenstein, Tractatus 5.633/5.6331). Deze metafoor werd reeds in oosterse tradities gebruikt, het oog dat zichzelf niet ziet, het mes dat zichzelf niet kan snijden. Het oog zit zelf niet binnen zijn eigen blikveld, het subject valt niet binnen de grenzen van “de wereld” als men de wereld als “blikveld” van het subject beschouwt. Om het oog te zien is een tweede oog nodig en om dit weer te zien een derde etc..
“Het filosofisch ik is niet de
mens, niet het menselijk lichaam, of de menselijke ziel, daarover gaat de psychologie, maar het metafysisch subject, de grens- niet een deel van
de wereld” aldus Ludwig Wittgenstein in de Tractatus.
Men kan over het subject/1e
persoonsbewustzijn en zelfreflectie praten maar men weet nooit waarover men
spreekt. Binnen een blikveld kan men alles aanwijzen als niet zijnde het oog,
binnen de wereld kan men alles aanwijzen (hersenen, neuronen etc..) als niet
zijnde het subject. Vergelijk het ook met de negatieve theologie en het
neo-Platonisme, God of het ‘ene’ is daarin de bron van alles, als het oog de
bron is van het blikveld. God of het “Ene” is de oorsprong van alle namen en
heeft daarom geen naam. Omdat het Ene de bron is van alle talige concepten,
categorieën en namen, kan het Ene zelf geen naam hebben. Het gaat aan alle
namen en categorieën vooraf. Zodra je het 'goed', 'groot' of 'wezen' noemt,
maak je er een begrensd object van binnen de wereld.
In de negatieve theologie (en het oosterse Advaita Vedanta) kan God of de Oergrond daarom alleen gedefinieerd worden via ontkenning: Neti Neti ("Niet dit, niet dat"). God is alles watde wereld niet is. Hetzelfde geldt voor het subject/1e persoonsbewustzijn, Brahman is Atman.
De Tao (uit het taoïsme van Laozi) is misschien wel de oudste en meest radicale filosofische verwoording van ditzelfde principe. De allereerste regel van de Tao Te Ching luidt: “De Tao die genoemd kan worden, is niet de eeuwige Tao.” Zodra je de Tao definieert of begrenst met taal, maak je er een object van binnen het blikveld. Maar de Tao is de grondslag van het blikveld. De Tao is als het oog. Het is zelf onzichtbaar, maar het maakt alles zichtbaar.
Schopenhauer die de Wil als oergrond poneert denkt het “oog”, het subject zelf te zien, hij ziet echter slechts datgene dat het oog waarneemt; datgene dat het subject ervaart, in “het blikveld”/ervaringsveld. Er is geen noodzakelijk causaal verband tussen mijn wil en de wereld, de wil is een verschijnsel in de wereld en niet de grens van de wereld.
Bewustzijn zo bezien kan de de grens van de wereld zijn, waardoor als het ware de oogfunctie wordt uitoefenend. De term bewustzijn in de zin van Nagel is de bron van datgene wat we als de wereld ervaren. Verder definiëren is onmogelijk, de definitie dekt dan namelijk geen bewustzijn meer, maar een functie in de wereld. De definitie heeft dan betrekking op een object, mechanisme of proces binnen de wereld van verschijnselen; niet langer is bewustzijn dan de grens van de wereld zelf. Het verschijnsel zou dan door AI kunnen worden vervangen in de wereld. Het zijn van “het iets zijn om te zijn” staat open naar de wereld, maar is er geen onderdeel van. Vergelijkbaar met het Dasein van Heidegger. Het Zijn is geen zijnde aldus Heidegger.
De logica
Binnen de logica en wiskunde komt men vaak, met andere meer stringente middelen en met gebruikmaking van een totaal andere terminologie, tot dezelfde conclusies als in de, wat men noemt, ‘oosterse filosofie’ en scholastiek. Kunnen we bovenstaande vertalen naar de onvolledigheidsstelling van Gödel en de Russellparadox?
Het wiskundig systeem is het blikveld, de axioma’s (de fundamenten) het oog, het mes waarmee ja gaat werken. Je kunt binnen het ‘blikveld’ van de axiomatische wiskunde alles bewijzen behalve de grondslagen ervan zelf. De axioma’s zijn ontoegankelijk voor het systeem.
Toegepast op de Russellparadox: elementen van een verzameling zijn het blikveld, de meta-klasse het oog. De kapper scheert alle mannen die zichzelf niet scheren. Wie scheert de kapper? De mannen die zichzelf scheren zijn het blikveld, de scherende kapper het oog, bij zelfreferentie stort de logica in. Zoals de verzameling die alle verzamelingen bevat niet ook zichzelf kan bevatten?
Kan men het oog dat zichzelf niet ziet/mes dat zichzelf niet kan snijden bijvoorbeeld met de axioma’s van Euclides vergelijken? Alle ware uitspraken in een niet gekromde ruimte worden afgeleid uit vijf axioma’s, bijvoorbeeld de kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn. In de Euclidische meetkunde kunnen parallelle lijnen elkaar nooit kruisen, in een gekromde ruimte wel, deze vergt dan ook een andere meetkunde; bijvoorbeeld hyperbolische meetkunde met andere axioma’s. Voor elke ruimte kan men axioma’s stellen en redenerend vanuit deze axioma’s kan men een wereld van bewijsbare stellingen formuleren. De axioma’s worden bij berekeningen automatisch aangenomen en vormen in het meetkundesysteem als het ware een black box, een oog dat zichzelf niet ziet binnen het toegepaste axiomatisch systeem van meetkunde.
Een metasysteem, een tweede oog buiten deze meetkunde, is dan nodig om deze axioma’s te zien. Dat tweede oog bestaat in de meetkunde, het is ons intelect. Wij zien de axioma’s en kunnen ze manipuleren.
De norm voor bewustzijn is dus ‘het iets zijn om te zijn’, het Dasein. Net als uit meetkundige axioma’s vloeit daar een hele wereld, zo niet ‘de wereld’ uit voort.
Waar het menselijk intellect als een tweede oog buiten de Euclidische meetkunde kan gaan staan om haar axioma's te aanschouwen en te manipuleren, daar is het pure bewustzijn zélf het Derde Oog. Dit Derde Oog is het axioma achter álle axioma's. Het overziet niet slechts een specifieke wiskundige ruimte, maar is de transcendentale voorwaarde voor het verschijnen van de ervaringswereld van mensen, dieren en andere bewuste systemen in haar totaliteit.
Elke poging van de wetenschap of AI-systemen om dit Derde Oog in de grafiek te trekken, stuit op de oneindige regressie van de metasystemen. Het pure bewustzijn wijkt fundamenteel, zoals π wijkt in de berekening van de cirkel. Het is de grens van de wereld, de oogfunctie zelf, die alles zichtbaar maakt maar zelf eeuwig onzichtbaar blijft.
Dit wijken is fundamenteel, vergelijkbaar met de aard van een cirkel. Een perfecte cirkel kan in onze fysieke, discrete wereld nooit materieel bestaan, omdat π een oneindig, transcendentaal getal is. Elke poging om de cirkel exact te berekenen of te materialiseren stuit op een oneindige reeks decimalen. Zo is ook het bewustzijn de oneindige, transcendentale factor π van onze ervaringswereld: het structureert elke perfecte vorm die we zien, maar laat zich nooit tot een eindig, grijpbaar object in die wereld reduceren/definiëren.
Men kan dus volgens bovenstaande zeggen dat dat bewustzijn in de zin van Dasein het axioma is achter alle axioma’s, het derde oog. Het overziet niet slechts een specifieke wiskundige ruimte, maar is de transcendente voorwaarde voor het verschijnen van de ervaringswereld van mensen, dieren en andere bewuste systemen in haar totaliteit.
Elke poging
van de wetenschap of AI-systemen om dit Derde Oog in een grafiek te trekken,
stuit op de oneindige regressie van de metasystemen. Het pure bewustzijn wijkt
fundamenteel, zoals π wijkt in de berekening van de cirkel. Het is de
grens van de wereld, de oogfunctie zelf, die alles zichtbaar maakt maar zelf
eeuwig onzichtbaar blijft.
Er is eerder sprake van geometrische alomtegenwoordigheid: Bewustzijn is alomtegenwoordig zoals de wetten van de meetkunde alomtegenwoordig zijn in een ruimte. Elk punt in een coördinatenstelsel (elke fysieke locatie, elk object) kan alleen bestaan bij gratie van het assenstelsel. Het is alomtegenwoordig niet als inhoud, maar als contexthouder. Fysieke objecten "hebben" geen bewustzijn; ze verschijnen binnen het axiomatische veld van het bewustzijn (het Dasein). Mensen, dieren en andere bewuste systemen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten