Translate

maandag 24 december 2012

LICHT EN DONKER, ORDE EN CHAOS



 
Met kerstmis wordt de terugkeer van het licht gevierd
 
 
De ander betrekken we op onszelf, Aldus Levinas, Kant en overigens meerdere religies. Het ethische, het goede is daarom de leidende factor.
In principe handel ik goed, het kost zelfoverwinning om slecht te handelen.
Zelfs als ik mijn buurman om zeep help doe ik dat omdat hij een landverrader is, het niet eens is met mijn profeet,  mijn voetbalteam benadeelt, revolutionair dan wel contrarevolutionair is. Met andere woorden er zit meestal wel een of ander “goed doel” achter waar je “iets voor over” moet hebben.
Je “offert eerst jezelf op”, en wel  voor je land, ras, voetbalteam of andere psychische waan alvorens tot moorden over te gaan.
 
Het “goede” is de drijvende factor achter onze handelingen.
Het slechte wordt  niet zozeer als iets positiefs gezien, eerder duidt het op het ontbreken van iets. Alleen al de termen “positief”-“negatief” geven dit al aan.  Slechtheid zou dus een tekort aan goedheid zijn, net als honger of dorst niet een bezit van iets is maar een tekort aan eten of drinken aangeeft. Slecht is dus een tekort aan goed (of ik het hiermee zelf eens ben doet er hier totaal niet toe, ik geef hier een denkwijze weer). De duivel is geen anti- God , geen zelfstandige gelijkwaardige slechte kracht, maar een gevallen engel, een opstandeling een nabootser, een reagerende ondergeschikte duistere kracht. 

De vergelijking die het meest gebezigd wordt is licht/donker en dat is goed verklaarbaar.
Tegenwoordig heb je lichtvervuiling waardoor je de sterren niet meer ziet, vroeger waren de nachten echter totaal  donker.
Zelfs in de steden was weinig licht, het was gevaarlijk ’s nachts om buiten te zijn,  niemand wist wat er precies gebeurde, de dingen kwamen pas de volgende dag “aan het licht”.



Licht was kostbaar en schaars, als het donker was kon je beter binnen zijn en slapen. Er gebeurde zaken die het “daglicht niet konden velen”. Boze geesten, demonen en trollen waarden rond.
Als het donker is zie je de dingen minder goed,  men onderscheidt geen contouren, gebrek aan licht maakt dingen vaag en wazig. Duisternis is een metafoor voor het slechte, er heerst gevaar, onduidelijkheid. Licht is goed, dingen worden belicht, de waarheid komt aan het licht. Het ware en het goede is één en hetzelfde aldus de oude Grieken.

In de duisternis zie je de dingen in hun veranderlijke staat, vluchtig en onduidelijk, je ziet dingen gebeuren maar kunt ze niet in hun grote geheel beschouwen, je kunt ze niet be”grijpen”, onduidelijk, je kunt ze niet duiden.
Mensen werden ziek en gingen dood, maar men wist niet dat het bijvoorbeeld van slecht water kwam, wat opgelost kon worden. Men begreep het niet, men “taste in het duister “ wat betreft de oorzaak. Kennis was goed, onwetendheid slecht.

Het goede/schone  en het ware werd als één beschouwd.
De verschijningsvormen de dingen zijn tijdelijk, hoe verder je in de overkoepelende formuleringen komt hoe minder tijdelijk ze worden.

Een Peugeot 4.1 met als kenteken etc. is meer tijdelijk, hoogstens een jaar of 15,  als de Peugeot, die weer meer tijdelijk is als de auto, die weer meer tijdelijk is als het voertuig wat weer meer tijdelijk  is als het object. Met het overkoepelende begrip “auto” be”grijp”je het verschijnsel Peugeot 4.1 met als kenteken etc. Aldus kun je er je het verschijnsel Peugeot met als kenteken etc. “toelichten”.
 
 
 
Er is sprake van een “lichtdenken”, lichtfilosofie.
Analoog aan wat in de natuur de zon is, wordt in deze denkwijze het goede, het ware of het schone de bron van alles. Dat wat alles aan het licht brengt is uiteindelijk ook het hoogste begrip en wordt in de grotvergelijking van Plato gelijkgesteld met de zon.
’s Winters  is er weinig zon, dieren en planten sterven, er heerst kou. Als de zon ’s zomers terugkomt bloeit alles weer op.
Als het goede , het ware, de waarheid dus ontbreekt volgens deze denkwijze, gaat het mis, zaken sterven af, gaan mis, duistere zaken vinden dan plaats.

Volgens de Plato waren op één of andere manier alle waarheden al bekend, ze hoefden alleen nog maar aan het licht te worden gebracht. Plato geloofde in reïncarnatie en in het feit dat de menselijke ziel vóór zijn geboorte alle waarheden geopenbaard zou krijgen door een reis in een ster.(absoluut dus niet mijn ideeën, maar wel leuk) Het hoogste begrip was dus “het goed/ware of schone” analoog aan de zon. Alles had er min of méér deel aan, alles is min of meer goed, min of meer waar, het hoogste is hét goede/ware als absoluut begrip. Iets dat slecht is had weinig deel aan het goede, het stond dus als het ware in de schaduw.
 
Later bij het neoplatonisme wordt dit “het ene”als het minst deelbare van alle begrippen waarin denker en gedachte één zijn, of het onnoembare omdat, “noeming” en entiteit niet meer zijn te onderscheiden.  Mede via Augustinus, een neoplatonische denker, ontstaat hieruit het christendom.
Dat deels uit oude godsdiensten is ontstaan en deels uit het neoplatonisme. Het min of meer filosofisch begrip “goede” wordt vermengd met reeds bestaande  beelden en legenden en wordt God.  De woorden goed en God lijken ook op elkaar. De vraag is ook inhoeverre het Joodse monotheïsme door het Platonisme is beïnvloed. Het helenistische Alexandrië had een grote Joodse gemeenschap. Ook kwamen veel Indiase denkwijzen via Alexandrië in de Griekse wereld. Wel is het zo dat Plato in de tijd vóór het helenisme schreef maar zijn voorganger Pythagoras is blijkbaar ook door oosterse ideeën zoals reïncarnatie beïnvloed.

Heraclitus en Nietzsche bestreden het vastleggen van de verschijnselen in onveranderlijke begrippen. Alles stroomt, niets ligt vast was het motto van Heraclitus. Nietsche werkte het één en ander uit met betrekking tot het niet bestaan van een objectieve eeuwig geldende moraal. Hij wordt daarom de filosoof met de hamer, uiteindelijk is zelfs de taal een leugen.
Levinas remt dus als het ware de deconstructie in de beschrijving van een pre-bewust uiteindelijk ethisch appél door de ander.  Het ethische komt zo weer terug als constituerend element.



Overigens is het volgens mij verre van duidelijk hoe Plato zelf  zijn “vormen” of ideeën precies zag en waar grote delen van zijn filosofie vandaan kwamen. Hoor en wederhoor is hier niet meer mogelijk.
Ons brein construeert, schept van nature orde in de chaos, het heelal construeert ook, of is dat alleen maar schijn omdat we geen chaos waar kunnen nemen? Chaos is eigenlijk ook een soort constructie, het zou een zinloos begrip zijn als we geen “niet”chaos dan wel bijna chaos zouden kunnen waarnemen. Uiteindelijk tot op het hoogste begrip doorgeredeneerd zijn er dus maar twee constructies, chaos en niet chaos of systeem en niet systeem; en ook dat is een systeem. Wederom een slang die in zijn eigen staart bijt. To be chaos or not to be chaos? that's the question.

vrijdag 5 oktober 2012

ALLES IS AANWEZIG OF HET ANDERE


De vorige blog in normaal taalgebruik, een poging, maar misschien zit ik fout, deze blog is immers geen filosoof. 


Omdat ik bijvoorbeeld van een lekker glas bier kan genieten ben ik geneigd de ander te tracteren.
Zou ik zelf niet kunnen genieten, zou ik niet weten wat dat is, dan had geen enkele reden een ander te tracteren. Stel dat een ander met krukken en een zeer been in de trein moet staan. Ik ben dan geneigd te helpen door mijn plaats aan te bieden omdat ik zelf weet wat het is om pijn te hebben.
Deze pijn hoort bij de wereld als “er is”, waarin ik afhankelijk ben.

Beide aspecten van de het leven, het genieten en de afhankelijkheid zorgen ervoor dat de ander een appél op ons kan doen. Wij begrijpen dan de ander als onszelf, als het andere in onszelf. In principe is dit ethisch. We moeten moeite doen om de ander niet te zien, niet op te staan voor iemand met krukken bijvoorbeeld, te slaan of erger. Daarvoor moet hij dus eerst ontmenselijkt worden, medelijden en spiegelneuronen moeten uitgeschakeld worden, vaak lukt dat aardig.


Globaal gesproken bestaan er twee met elkaar gemengde visies over de grond van de wereld.
De ene visie gaat uit van de eenheid van alles. De uiteindelijke grond van de mens en van de wereld zou dezelfde zijn. In de mens slaat de natuur de ogen op. Dus door de mens, zoals ontstaan in de evolutie, wordt de natuur zich van zichzelf bewust (op deze planeet zou je daar aan toe kunnen voegen). Mens en natuur zijn één.
Het ego is slechts schijn, wie het ego overwint ziet het grote verband. God is in alles in de natuur, is alles. Er is sprake van een in alles werkzame wereldgeest. Hier heerst dus een soort pantheïsme. Alles is in principe aanwezig en ontplooit zich. De wereld is als het ware één organisme.
Door zichzelf te doorgronden doorgrond men de wereld, de godheid. De ziel van de mens is van dezelfde substantie als Gods wezen. De wereld is uiteindelijk in ons.
Deze visie bestaat (deels) in het Boeddhisme, vormen van mystiek, bij Hegel of bijvoorbeeld in de new-age beweging.



Ontsluiering, Monique van Zwieten 

Een tweede visie ziet de grond in het andere, verborgene, juist niet bereikbare. De wereld is niet in ons. Naast ons is er een wereld in het verborgene, het andere, de waarheid versluierd en ontsluierd zich. Het "ding an sich"van kant is niet opgelost.
Er is iets dat niet met het denken bereikt kan worden. Het “absolute niets” als tegenstelling tot “het zijn”, het met het denken onbereikbare uiteindelijke zelf in ons  dat uiteindelijk ook het andere is (misschien ook niets). Dan is er de ander, weerspiegeld in het andere in onszelf.
God, wordt dan gezien als het radicaal andere buiten het zijn.
Om met Taoisten te spreken, “men kan Tao alleen bij benadering leren begrijpen. In de tekst van de Daodejing wordt geschreven: "De essentie van Tao is dat het niet uitgedrukt kan worden. Als men denkt het wel te kunnen uitdrukken, dan is het niet Tao." Tao is immers vormloos en niet gebonden aan een vorm (wikipedia).
Juist dit andere zou volgens Levinas  als het ware de motor van de ethiek zijn. Dit andere moet niet overwonnen worden om tot een éénheid te komen, het andere moet juist gerespecteerd worden.

Interessant is het neoplatonisme.
Plotinus spreekt van "het ene" buiten alle categorieën van zijn en niet-zijn. "Zijn" is een atribuut van objecten waar het ene buiten valt.
Gedachten kunnen er niet aan toegeschreven worden omdat dit een dualiteit tussen gedachte en denker verondersteld. Aldus Plotinus.




zaterdag 22 september 2012

ONAFHANKELIJKHEID EN AFHANKELIJKHEID



De mens is in feite een tweeheid, een denken en een zelf waar tegenaan gedacht wordt.
Daarnaast is de mens ook in een ander opzicht een tweeheid.
Je hebt de wereld als genieten, als nuttigen. Lekker eten, muziek, mooie landschappen, huizen, kunst, de wereld die we in onze macht hebben, die mij voedt (Aldus J. Keij).
De wereld als goed, goederen, fysieke objecten met waarde. De wereld waarover we macht hebben, die we onder controle hebben, waarin we een onafhankelijkheid zijn.



Daarnaast is er de wereld als het “er is”.

De wereld die zich niets aan ons gelegen laat liggen, de wereld als pijn, natuurramp, ziekte, depressie, afwijzing en dood. 



Zelfs het genieten kan elk moment omslaan in het “er is”, genieten kan omslaan in verslaving, ziekte, oorlog.
De mens is hier een complete afhankelijkheid, het "er is" wordt in beschreven in het boek "Heart of Darkness" van Joseph Conrad. Een verhaal dat zich afspeelt in de wildernis van de Congo. Marlowe dringt steeds verder de wildernis binnen op zoek naar de “krankzinnig" geworden Kurtz, die zich het verst in de binnenlanden heeft gewaagd en een soort monster is geworden. Met moord en doodslag buit hij zijn district uit.
Zou de wildernis, dat kolosaal grote iets, ‘dat niet kon spreken en ook niet kon horen’zich door de wil van de indringers laten beteugelen, of zou het omgekeerd zijn en zou zij de indringers hun eigen wildernis onthullen’.
Uiteindelijk ontpopt de wildernis zich als iets dat elke zin afwijst,  zij is zo volstrekt betekenisloos, dat de naar betekenis zoekende mens zich er onheroepelijk in verliest en zich vereenzaamd voelt (Safranski). In de wildernis, juist in haar woekerende levendigheid, openbaart zich de absolute contingentie (toeval, niet noodzakelijkheid, wat er is kon evengoed niet zijn).
De wildernis is misschien ook wel de wereld van het moderne denken, de neurosofie als zouden wij onze hersenen zijn met alleen vurende neuronen (Swaab), de wereld van de geestelijke depressie.
De roman eindigt met het sterven van Kurtz, hij fluistert nog “the horror, the horror”. Hij had daarmee geoordeeld, zich uiteindelijk verzet en nog een absurde soevereiniteit bewaard in het hart van een zegevierende duisternis (Safranski).


Kurtz

Deze roman werd later als thema gebruikt voor de film Apocalypse Now van Coppola, zich afspelend in Viëtnam.

De mens is dus volgens Levinas zowel genieten, onafhankelijkheid  als afhankelijkheid,
ieder mens,
Dit zijn van genieten/onafhankelijkheid en afhankelijkheid is volgens Levinas de voorwaarde voor medemenselijkheid en verantwoordelijkheid.
Wij dragen, zo hebben we gezien, de ander, het andere in ons. Ook ons denken, onze taal waarin we mededelen en waarin we tegen onszelf denken wortelt in contact met de ander.

Wij zien de ander, waarmee we niet samenvallen, evenals onszelf,  als genieten en afhankelijkheid, de ander doet hierin een appél op ons. Dit appél is ethisch, zegt ons de ander niet te doden, te respecteren en verantwoordelijkheid ten nemen voor de ander.
Dankzij het feit dus dat we zelf kunnen genieten en lijden kunnen wij verantwoordelijkheid over de ander nemen.
Om de ander te kunnen doden, zo hebben we gezien moeten we hem eerst ontmenselijken, vervijanden. .Het absolute heden zou dus iets zijn dat dwars op de tijd staat van onmeetbaar korte duur, de tijd als zijnde voorbijgaand alleen verleden dat niet meer is en toekomst die nog niet is. In dit absolute heden zou het appél plaatsvinden.

Dit appél door de ander is de morele standaard. Wetten en morele codes zijn hulpmiddelen, het appél gaat echter vóór en kan in verschillende situaties verschillende handelswijzen vergen en eisen dat de wetten en codes worden overtreden.
Dit appél door de ander is dus ethisch , het goede en in de aard der zaak de kern en het resultaat van de wereld vanuit een mens gezien. Aldus drijven we in feite richting Plato.

donderdag 13 september 2012

HET ONDENKBARE ANDERE EN CONDENSATIESTREPEN

Even de verkiezingskoorts terzijde.
Wat Fred in zijn interessante reactie wellicht bedoelt zijn fantasiepersonen.
Romanfiguren wellicht.



Eerst een kleine herhaling.
Zoals we gezien hebben kan ik mijn medemens niet waarnemen, de ander is onzichtbaar.
Wat de ander voelt, waarneemt of denkt is voor mij onbekend. Wel heb ik een beeld van de ander, en andersom uiteraard, de ander heeft een beeld van mij.
Verder dan een beeld van wat de ander voelt, denkt en ziet komen we nooit.
Of het nu om fictieve personen of werkelijk levende personen gaat we zien alleen beelden in ons.


 
Gedachten zijn niet te lezen


Fictieve figuren zijn echter veel waarneembaarder dan werkelijke personen, als de schrijver dat wil.
Een zin als "terwijl hij aandachtig de vogels observeerde dacht hij aan zijn jeugd" kan alleen betrekking hebben op een fictieve figuur.
Van een ander weet men nooit waaraan hij denkt, waarnaar hij kijkt en met hoeveel aandacht, zelfs niet als hij er over praat. Als iemand zegt ik denk nu aan mijn jeugd kan het zijn dat hij in werkelijkheid aan zijn buurvrouw denkt.
Een fictieve figuur kan als de schrijver dat wil wel een open boek zijn. "Terwijl hij zei dat hij aan zijn jeugd dacht, dacht hij aan zijn welgevormde buurvrouw" zo kan een schrijver ons mededelen.
Er zit wel een black box achter een fictieve figuur, namelijk de bedenker ervan. Die kan iets in een fictieve figuur leggen wat wij niet meteen of zelfs nooit zullen zien.
Dit spelen met zichtbaarheid, onzichtbaarheid en halve zichtbaarheid vormen onder meer de elementen die een roman, sprookje, dan wel levendige droom, boeiend maken. Het bewustzijn van fictieve figuren bestaat, maar dan opgebouwd uit het bewustzijn van hun bedenker en hun waarnemer.
Een werkelijk bestaand mens is dus uiteindelijk onzichtbaar, we hebben alleen een beeld van hem/haar.
Ook voor onszelf zijn we uiteindelijk onzichtbaar.
We nemen onze gedachten waar. Datgene dat onze gedachten waarneemt kunnen we echter niet met onze gedachten waarnemen. we zijn dus twee, onze gedachten en "het ondenkbare andere" dat waarneemt. Dus de ander kunnen we niet waarnemen en ook het "ondenkbare andere" niet omdat we daar tegenaan denken. Derhalve dragen wij de ander en het andere in ons.

Hetzelfde geldt voor onze tijdsbeleving. We kunnen ons niets buiten de tijd indenken, het lijkt wel alsof we uit tijd bestaan.
Toch is er iets dat tijd waarneemt, iets dat samengaat met de tijd, maar er niet mee samenvalt, om in het jargon van Levinas te blijven (als uiteengezet door J. Keij).
Er is dus een tijdwaarnemende instantie die zelf buiten de tijd valt.
Let op, het gaat hier dus niet om natuurkunde maar om tijdsbeleving.



Er is nog iets vreemds met de tijd.
Als je naar een condensatiestreep van een vliegtuig in de lucht kijkt zie je het vliegtuigje als miniscule, soms onzichtbare stip die een lange lijn achter zich sleept.
Zo is het ook met tijdsbeleving.
Het verleden bestaat niet meer, de toekomst bestaat nog niet, maar waar is nu het heden?
Het absolute heden is in minder dan een seconde voorbij, in feite bestaat het niet, als je de h van heden hebt uitgesproken is het al voorbij. In feite bestaat het heden niet in de tijd, het heden is net als in de lucht een onzichtbare stip die de tijd als een condensatiestreep achter zich aansleept.
Toch vindt het werkelijk leven, de oerimpressie in dit onzichtbare heden plaats.
Een soort tijdloze (serie)punt(en) die steeds (ver)sterft en de bewuste tijd als een soort condensatiestreep achter zich aanslepend. Eventueel ook voorafgegaan door anticipatie, het nog niet bestaande heden en de nog niet bestaande tijd.



In dit heden, deze oerimpressie laat Levinas het één en ander plaatsvinden.
In dit buiten de tijd liggende heden doet "de ander, het andere"een appél op ons aldus Levinas.



Wordt vervolgd

zaterdag 8 september 2012

HET BESTAAN ALS RELATIE

Eindelijk weer eens een nieuwe blog.
Vakantie en computerproblemen hebben mij van het bloggen afgehouden.

Over de evolutietheorie.
Hegel zag in de wereld de ontplooing van wat hij noemde de "wereldgeest".
Een soort filosofengod, de in zichzelf gesloten wereldgeest zou zich in de schepping veruitwendigen.
De schepping betekende gegenstand, op dialectische wijze zou daardoor een steeds een hoger niveau bereikt worden, het doel van de wereld zou zijn dat de geest tot zichzelf zou komen.
De natuur maar ook de geschiedenis zouden daar een functie in hebben.
In navolging van Hegel zag Marx een doel in de geschiedenis.
Darwin zag ontwikkeling in de natuur, hogere levensvormen ontstaan uit lagere.
De evolutie is als het ware een computersysteem, miljarden levensvormen knippen aan en uit in een enorm ontwerpsysteem dat het leven is. We weten als het ware hoe de "wereldgeest"van Hegel denkt. Dom dat godsdienstfanaten zo gebeten zijn op de evolutietheorie.
Uiteraard had Hegel nog nooit van de evolutietheorie gehoord, maar mede dankzij zijn manier van denken zat deze als het ware in de lucht halverwege de 19e eeuw.


Napoleon door Caspar David Friedrich, volgens Hegel zou in Napoleon de wereldgeest in de geschiedenis werkzaam zijn

Hegels denken was een aanwezigheidsdenken. Alles was er al, de geest hoefde zich alleen nog maar te ontplooien. Alles was er als het ware in één geest. In feite zit veel new age-denken op dezelfde lijn.
Alles hangt samen, natuur, menselijke geest, een soort pantheisme wordt beleden.

Tegen deze denkwijze kwam in de 20e eeuw weerstand.
Er was geen oog meer voor de "ontsluiering" van de waarheid en voor het "andere" voor het andere in de ander.
Met name bij Heidegger, maar ook bij Levinas. Jan Keij heeft in het boek "De filosofie van Emanuel Levinas"deze ideeën uiteengezet.
Levinas zag de wereld vooral als relatie.
In de vorige blog hebben we gezien dat de ander in feite verborgen is voor ons. Wij zien slechts een beeld van de ander.



Ook wijzelf dragen echter het andere en de ander in ons.
Wij denken, maar we denken altijd tegen "iets"aan, tegen onszelf.
Daarmee zijn we twee, een denkende instantie en een ik waar tegen aangedacht wordt.
Denken is überhaupt een bezigheid die anderen veronderstelt.
We denken in taal. Taal veronderstelt een niet met ons samenvallende ander.
In taal delen we iets mee. Er moet dus een ander zijn die niet met mij samenvalt waarmee begrippen te delen zijn. We leren de taal dan ook van anderen, onze ouders, vrienden etc.
Omdat we in onszelf, tegen onszelf aandenken, een denkende instantie en een zelf zijn we twee.
Eerder hadden we ook al gezien dat dit zelf nooit voor het denken te bereiken is, steeds is er weer een diepere laag die tegen de buitenste lagen aankijkt, steeds worden we naar buiten geworpen.
Dus al in het feit dat we denken in onszelf ligt een relatie ten grondslag.
De kern van het bestaan is relatie.


Wordt vervolgd

maandag 2 juli 2012

EMMANUEL LEVINAS OVER DE ANDER



De ander als zodanig kunnen we niet waarnemen, alleen een beeld van hem in onszelf, de ander blijft verborgen


De 4e dimensie kunnen we nietwaarnemen. We kunnen dan ook niet bewijzen, hoogstens vermoeden dat er zoiets bestaat.
Er is nog iets dat we niet waar kunnen nemen.
Heel simpel, "de ander". De Joods-Franse filosoof van Litouwse afkomst Emmanuel Levinas heeft dit bestudeerd.
Als jij met het klussen op je vingers slaat, dan voel ik daar niets van. Er zal slechts een nauwelijks merkbare glimlach op mijn lippen verschijnen, of ik ga over tot troostpogingen. Ik kan me alleen maar indenken wat je voelt, zelf kan ik jouw zere duim niet voelen. Ik heb slechts een beeld van de ander, waarnemen hoe hij werkelijk is en wat hij voelt kan ik niet.



Voor mij is de ander transcedent. De ander kan op zijn beurt mij niet waarnemen, maar slechts een beeld van mij vormen en dat weet ik. Het enige dat ik van de ander waarneem is het gelaat. Met deze term bedoelde Levinas niet alleen gezicht, maar breder, ook bijvoorbeeld houding en stem van de ander.
Met dit gelaat nemen we dus de ander waar, een transcedentie. Juist door deze transcedentie doet de ander een appél op mij, een voorbewust en op mijn leven als egoïsme inbreuk makend besef van de ander als hulpbehoevend wezen, hoe ik daar ook op reageer.



Levinas

De filosofie tot Levins hield zich bezig met "de mens" en "de geest".
Er zijn echter ongeveer 7 miljard mensen, ongeveer 7 miljard min één anderen.
Het respect van de ander als ander ontbreekt vaak in het menselijk denken, al te snel trachten wij de ander te dwingen te voldoen aan het beeld dat we van de ander hebben, wij trachten de 'ander"in te kapselen, ook in ons denken.
Levinas hield zich bezig met de ander als ander, een hiaat in de filosofie, hij spreekt zelfs van "egologie" met betrekking tot het gangbare denken en kwam tot opzienbarende conclusies.
Het begrip appél speelt een belangrijke rol in zijn filosofie, hierdoor worden we op vóórbewust niveau geraakt door de ander of we nu willen of niet (hersenonderzoek en de ontdekking van spiegelneuronen in onze hersenen ondersteunen dit). Dit appél is goed, het verbiedt de ander kwaad te doen, het roept op tot verantwoordelijkheid.
Het begrip "de ander"had bij Levinas dus ook een ethische lading.
Om de ander te kunnen vermoorden moeten we hem eerst ontmenselijken.
Van het gebod "gij zult niet doden" gaf Levinas een interessante interpretatie. Het betekent ook gij zult niet links laten liggen, negeren, treiteren, ontmenselijken etc.


Om de ander te vermoorden moet je hem eerst ontmenselijken (toegangspoort Auschwitz-Birkenau)


Wij kunnen uiteindelijk dus ons eigen zelf niet waarnemen, steeds word je naar buiten geworpen, hier speelt dus het eerder vermeld Droste effect. Uiteindelijk kunnen we onszelf ook alleen maar als een ander waarnemen, ook dit merkte Levinas op.

Is het Heidegger die de filosofie wijst op "zijnsvergetelheid", zo drukt ons Levinas op het feit dat we de medemens als "de ander" niet meer zien.

Wordt vervolgd
Over drie weken

zaterdag 16 juni 2012

OVER DIMENSIES EN DE WAARNEMINGSHORIZON

Om even terug te komen op de reactie van Frank op de vorige blog.
Taal roept beelden op, en beelden roepen taal op. In feite zijn die beelden ook weer een eigen taal.
Onze hersenen vertalen een lange lichtgolf in wat wij noemen rood, een korte in blauw.
De naam vertalen zegt het al, onze hersenen (ver)talen. Hoe leg je iemand die zijn hele leven blind is geweest echter uit wat rood of blauw is.



Zo zijn wij allemaal blind voor bijvoorbeeld meer dan drie dimensies (zo die bestaan).
We zijn misschien als blinden die van anderen (in de vorm van abstracte natuurkundige formules) horen dat er misschien iets als rood bestaat, zonder daar ooit zelf maar een voorstelling van te kunnen maken. Het lijkt soms alsof deze formules een heel klein stukje van het ding an sich van Kant aanraken. Men weet (vermoed) dat iets bestaat maar de menselijke hersenen zijn niet in staat het zich te verbeelden.



Gezondheidszorg in de 2e dimensie


Nog even over de superstringtheorie, daar zijn wel leuke aspecten aan.
Eendimensionale snaren zouden in meerdere dimensies trillen.
Iets ééndimensionaals bestaat niet in de macrowereld. Een snaar is niet ééndimensionaal maar uiteindelijk driedimensionaal. Zelfs de dunste lijn is uiteindelijk tweedimensionaal.
Een ééndimensionaal iets kent maar één richting, heen en terug, alleen afstand. Vandaar dat, men denk ik, het beeld van iets langwerpigs en ééndimensionaal lijkend iets heeft willen oproepen. Een snaar.
Met de snaartheorie wil men zeggen dat iets ééndimensionaals in een meer(tientallen)dimensionale ruimte trilt. De snarentheorie bestaat in combinatie en naast tientallen andere theorieën.
In het populair wetenschappelijk boek "Een kleine geschiedenis van bijna alles" schrijft Bill Bryson "Het een en ander heeft in de natuurkunde een punt bereikt, aldus Paul Davies in Nature, waar het 'voor de niet wetenschapper bijna onmogelijk is om nog onderscheid te maken tussen de legitieme gek en totaal geschifte".
In ieder geval kan geconcludeerd worden dat we materie, ruimte en tijd nog lang niet doorgronden.


Een vierdimensionale kubus (zo die bestaat en tijd even buiten beschouwing gelaten) afgebeeld in drie dimensies (eigenlijk 2, het computerscherm is vlak).
Een driedimensionaal object beeld je in twee dimensies af door lijnen vanuit de hoekpunten van twee vierkanten te trekken. "Vlaklanders", denkbeeldige tweedimensionale wezens zien ook dan nog geen kubus.
Een vierdimensionale kubus beeld je in de derde dimensie af door de hoeken van twee kubussen te verbinden.
Onze driedimensionale hersenen weten echter niet wat ze zien (hyperkubus).
Uit Wikipedia.


En dan is er ook nog donkere materie

Wat minder wetenschappelijke eigen interpretatie hier.
Op dit uiterst merkwaardig Plancklengteniveau moeten we misschien "het einde van ons heelal" zoeken (al kunnen we nog lang niet op dit niveau zoeken).
In de ruimte zelf zullen we die niet vinden.
Op een boloppervlak in een tweedimmensionale wereld zul je nooit het einde vinden als je over de bol rond blijft draaien.
Het eind van het bol-oppervlak bevindt zich echter op elk willekeurig punt van de bol als je naar beneden of boven gaat. Dus naar het niet-boloppervlak.
Met betrekking tot ruimte vind je het einde als je naar de "niet-ruimte" gaat. Naar binnen, naar het allerkleinste, het zwarte gat, de singulariteit in, naar de Planck lengte". Hoe klein dit is, zie vorige blog. Misschien kom je dan als het ware in de pixels van de natuur terecht.

Vergeet ook niet dat als we ver genoeg kijken, in alle richtingen, we in een singulariteit kijken, die van het begin van de big bang. We kijken dan immers tegen de waarnemingshorizon van 13,5 miljard jaar geleden aan, het begin van de oerknal, toen het heelal begon. Als we maar ver genoeg weg kijken, kijken we in feite in het allerkleinste, uiteindelijk in het niets. Het allergrootste wordt zo in onze perceptie door het allerkleinste omringd.
Licht van sterren die verder weg staan dan 45 miljard lichtjaar heeft ons immers nog niet bereikt (45 miljard en geen 14 in verband met de uitdeiing van de ruimte). Het gehele heelal is vermoedelijk honderden malen groter (of duizenden etc. niemand weet het).
Aldus verliest het begrip ruimte, klein/groot zijn betekenis.


Aldus kijken we in de big bang, dus in iets bij de aanvang onmetelijk kleins, dat ons notabene omringt


Met het heelal als geheel heb je dezelfde problemen die je hebt als afzonderlijke persoon.
Voor dat het er was, was er een onvoorstelbare niet-tijd, een niet-ruimte waar we steeds tegen aankijken.