Translate

zaterdag 30 november 2013

INFORMATIE OVER DE KERSTBOOM


Even een natuurkundige zijweg inslaan.
De meeste materie in het heelal is donkere materie.
Het heelal is als een kerstboom waar je alleen de lichtjes van ziet. De boom blijft onzichtbaar.
Van alle materie is veel minder dan 10 procent zichtbaar, galactisch gas en sterren (en planeten die naar verhouding minuscuul zijn). Daarnaast is er nog donkere energie, die ruimte doet uitdijen. (materie en energie zijn zijden van dezelfde munt).


 Beeld van de verdeling van donkere materie in een stukje van het heelal.



De hoofdstructuur van het universum bestaat dus uit donkere materie en energie en niet uit zichtbare materie.
Het bestaan ervan wordt afgeleid uit de baanbewegingssnelheid van sterren in spiraalvormige sterrenstelsels. Zichtbare materie heeft niet genoeg massa om deze baanbewegingssnelheid te verklaren. Daarom wordt er verondersteld dat er enorme hoeveelheden extra materie aanwezig is die tot dusver niet gedetecteerd kon worden (wikipedia). Bijvoorbeeld deeltjes genaamd neutrino's zijn blijkbaar afgevallen als bron.
Het bestaan van donkere materie wordt dus afgeleid uit zwaartekrachteffecten. 



Een idee is dat donkere materie bestaat uit deeltjes die bijna geen interactie aangaan met zichtbare materie. Veel pogingen zijn ondernomen om deze deeltjes te detecteren, in ondergrondse laboratoria (Gran Sasso in Italië) en onder de ijskap van Antartica. Het zouden immers deeltjes zijn die geen interactie aangaan met andere materie, dus ze zouden dwars door de aarde vliegen en ook diep onder de grond te detecteren zijn, in tegenstelling tot bijvoorbeeld radiogolven. In een tunnel valt immers je radio uit.
Tot nu toe is er nooit iets gevonden.



Verklaringen dat de zwaartekrachttheorie niet klop zijn ook niet al te sterk. Dus men staat nog steeds voor een raadsel.
Het heelal is dus voor het grootste deel “zoek”, we zijn iets enorms kwijt. Het is onzichtbaar, onhoorbaar, niet te detecteren. Na eeuwen studie van het heelal moeten we erkennen dat we de zaak voor het grootste deel domweg kwijt zijn. Raadselachtig dus stof voor speculatie. Dat gaat de blog dan ook doen. Even zoeken!

Hoe spoor je bijvoorbeeld Napoleon in de slag bij Waterloo op?
Daarvoor heb je drie coördinaten nodig.
De lengtegraad en de breedtegraad van zijn hoofdkwartier. Daarnaast moet je weten op welke verdieping van het hoofdkwartier hij zich bevond, dus de diepte. En als vierde heb je de tijd nodig, juni 1815. Als je één van deze gegevens fout hebt mis je Napoleon. Het zijn de drie ruimtedimensies en de tijd. 


Napoleon bij Waterloo Francois Flameng
 
Zou het niet zo kunnen zijn dat er materie is die, om het waar te nemen, meer dan drie coördinaten en de tijd nodig heeft? Meer ruimtedimensies dus. Naast lengte, breedte, diepte en tijd zou je dus "XX?" moeten kunnen waarnemen om donkere materie te treffen. Het begrip "XX?" is niet uit te leggen. Vergelijk het met iemand die blind geboren is, probeer die maar eens uit te leggen wat het is als je rood ziet. Om de donkere materie te zien zouden we dus een 4D bril op moeten zetten.
Misschien zouden we dan misselijk worden en stomverbaasd zijn? Wellicht zou blijken dat wij zelf ook elementen bezitten die beter te begrijpen zijn als we "XX?" zouden waarnemen. Misschien bestaat alles wat we nu zien op een heel andere manier dan we denken dat het is. Wat dat betreft leven we misschien allemaal in Plato’s grot.


Een hyperkubus, een (wiskundige) 4 dimensionale schaduw in de 3e dimensie (Wikipedia)
 

Nu werkt zwaartekracht in feite al een beetje als een 4D bril, waardoor we de donkere materie indirect kunnen waarnemen.
Zwaartekracht is een relatief zwakke kracht, als je deze kracht bijvoorbeeld vergelijkt met de krachten die atomen bijeen houden (de sterke en de zwakke kernkracht). De rede hiervoor is misschien dat zwaartekracht in meerdere dimensies werkt, in tegenstelling tot beide kernkrachten. Als zwaartekracht even sterk zou zijn als deze krachten zouden we platgedrukt worden.



Zwaartekracht heeft een vreemde verhouding met (driedimensionale) ruimtetijd, het is in feite gekromde ruimtetijd. Het laat sterren ontbranden doordat het kernfusie veroorzaakt en geheimzinnige instortingen vinden plaats in zwarte gaten. Misschien is zwaartekracht ook een soort brug naar andere dimensies, houdt de zwaartekracht het heelal ook nog op een heel andere manier bijeen als alleen door "aantrekkingskracht". 

Er is een theorie (vraag niet van wie) die stelt dat materie/energie uiteindelijk informatie is. De wereld is in feite een informatie-eenheid.
Bestaan is uiteindelijk informatie.
Zwaartekracht is het informatiemedium dat het heelal ook dimensie-technisch tot een eenheid smeedt. Misschien vindt er een proces plaats waar wij totaal geen idee van hebben.
Misschien is de donkere energie ook een functie in dit proces, een functie die er in anderen dimensies heel anders uit ziet, waar we nog niets van begrijpen omdat we maar drie dimensies kunnen waarnemen en bestuderen.
 
 
De grot van Plato
 
We weten dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is.
Misschien bevinden we ons ook wat betreft perceptiemogelijkheden, met name ook van de daadwerkelijke werking van de natuurwetten, in een maar heel klein gebied van de wereld en kunnen we maar een heel klein deel waarnemen. Misschien dat we van nature enorme oogkleppen hebben. 
In feite stamt dit idee van Kant. Hij stelde dus dat we niet bij machte zijn het “ding an sich” waar te nemen.
 
Twee systemen die absoluut geen informatie uit kunnen wisselen, bestaan die voor elkaar?
Als je in het ene systeem zit, heeft het woord bestaan dan wel enige zin voor wat betreft het andere systeem?
Kant vond van wel, het ding an sich bestond weldegelijk, ook wijzelf zijn een “ding für sich”, maar ook “an sich”. Andere filosofen vonden van niet.
Het heelal bestaat, dat is een bewering met terugwerkende kracht.
Het is een informatie-eenheid, informatie is misschien een antropocentrisch begrip, maar anders kunnen wij niet denken. Het zijn deelt zich mee, ook aan zichzelf, anders is het maar de vraag of het is, daarmee is het onderscheidend van niet zijn. Van niets (dat dus uit de aard der zaak niet bestaat) dat dus gewoon “geen informatie” is.


Immanuel Kant

Misschien dat zwaartekracht en donkere energie in hun exploderende en imploderende eigenschappen dus een brug/informatierol vervullen waar wij vooralsnog geen idee van hebben.
Het is allemaal echter pure speculatie, niemand weet nog wat donkere materie is en of er wel een 4e dimensie bestaat. Misschien dat er gewoon deeltjes worden gedetecteerd waardoor donkere materie te verklaren is.

 

zondag 17 november 2013

EDELSTENEN EN VUURVLIEGJES


Je hebt diamanten, robijnen, halfedelstenen, bergkristallen enzovoorts. Materie vormt steeds structuren van allerlei soorten. Maar wat is het verschil tussen deze dode materie en leven. Edelstenen zijn mooi, ze kunnen op bloemen lijken, maar ze zijn koud, er zit geen energie in. 

Edelstenen


Bloemen in de vorm van halfedelstenen op de Taj Mahal

Het verschil is de elektriciteit. In levende organismen is koolstof (de belangrijkste bouwstof van levende organismen) een samenwerking aangegaan met elektriciteit, in cellen, tussen cellen met als onbetwist hoogtepunt het vuurvliegje en de sidderaal J.
Ergens in een ver verleden moet dit hebben plaatsgevonden, misschien in een soort oercel, het begin van leven. Elektriciteit is een subatomair proces en vermoedelijk zijn er wel meer processen op super microschaal die bij organismen een rol spelen. Die laten we buiten beschouwing omdat we ze nog (lang) niet kennen. Zie de vorige blog.

De sidderaal

Elektriciteit dus.
Er zijn denkers die stellen dat wij slechts een vehikel voor onze genen zijn.
Om de overleving van de genen gaat het, die overstijgen immers de afzonderlijke generaties. Als we samenwerken, de mannetjes zwarte weduwenspin zich op laat eten door zijn vrouwtje, we verliefd worden, anderen helpen enzovoorts, dan zijn het vooral onze genen die dat gedrag bepalen. En wel om de code over generaties door te geven.



Aldus worden de zaken vanuit een omgekeerde positie bekeken. Wij bezitten niet onze genen maar zijn slechts vehikel en behuizing voor onze genen.
Zaken vanuit een omgekeerde positie bekijken is leuk en soms verhelderend.
Wij zijn het vehikel van onze genen, maar zou je, door middel van een soortgelijke gedachtesprong, organismen (en de genen) ook niet als een vehikel van elektro magnetisme kunnen zien.
Je zou dan kunnen redeneren dat de elektriciteit, die haar bron in de spanningsverschillen die onze zon en chemicaliën genereren, zich organiseert en openbaart in koolstof. 

De elektromagnetisme kanaliseert door middel van evolutie als instrument de koolstof zodanig dat er dieren, mensen en bewustzijn ontstaat.
Een beetje een Hegelachtige gedachte, elektromagnetisme als een soort wereldgeest die zich structureert in koolstof tot het zich van zichzelf bewust wordt.
Bill Bryson merkt op dat als je alle elektronische activiteit in onze lichaamscellen zou optellen je aan 20 miljoen volt per meter zou komen (zie vorige blog). Ongeveer evenveel als de hoofdmassa van een onweersbui. Als je alle elektronische activiteit aanwezig in de biomassa van de aarde op zou tellen zou je tot een gigantische hoeveelheid elektrische energie komen, die bezig is de biomassa te structureren.



Uiteraard sprak Hegel over “geist” dus heel wat anders.
Maar je hebt dus het willekeurige elektromagnetisme in het heelal, in onweer, vulkanen, in sterren.
Daarnaast heb je (in ieder geval op aarde) electiciteit die werkt in en met de biomassa (microben, cellen, organismen). Bij de mens en de andere hogere zoogdieren is er een dermate gecompliceerde structuur ontstaan dat er bewustzijn ontstond.




Volgens mij is de biologische evolutie niet afgelopen. Maar er zijn denkers die er van uitgaan dat elektro magnetisme zich nu via de mens in computers verder evolueert. Er zullen volgens hen computers met bewustzijn ontstaan, ikzelf vermoed dus van niet. Omdat er volgens mij naast elektriciteit nog iets in het spel is. Geen geest, daar geloof ik niet in.
“Iets” dat binnen de fysica te verklaren zou zijn, ook een vorm van “ietsjisme” dus, maar dan binnen de fysica. Maar, toegegeven, dit is wel een erg vaag vermoeden en niet echt onderbouwd.
De elektriciteit die in biomassa werkzaam is, is dezelfde die in onweersbuien, sterren, vulkanen werkt.
Uiteindelijk is er geen onderscheid, het is alleen een kwestie van structurering. Koolstof, waaruit leven voor het grootste deel bestaat geeft elektromagnetisme de kans zich te structureren.
Alleen wij noemen de ontladingen in een onweersbui willekeurig, de ontladingen in onze hersenen noemen we denken. Waarom?

Wordt vervolgd.

zondag 3 november 2013

ELEKTRICITEIT EN LEVEN


Vroeger was tijd en ruimte het eeuwige podium waarbinnen goden en mensen acteerden.
Er werd uitgevonden dat op dit podium de dingen anders waren dan ze leken, de aarde draaide om de zon en zelfs de zon stond niet in het midden, maar het podium bleef overeind.



Met Einstein veranderde dit, het podium zelf werd flexibel, ruimte, tijd, materie, krachten en energie bleken een verrassend spel te spelen.
 
 
Het grootste deel van het heelal bleek zelfs onvindbaar in de vorm van donkere materie en energie (96%). Vergelijk het met een onzichtbare kerstboom, de lichtjes zie je dan, de boom zelf niet.
De hoofdstructuur van het heelal is dus zoek.
Er wordt nu zelfs geopperd dat ons podium maar één van de vele podia is, er zijn misschien wel meerdere universums, meerdere dimensies. Allemaal speculatief, maar min of meer onderbouwd.


Deze blog huldigt een materialistisch standpunt.
Meer dan materie (energie en krachten) is er niet, maar materie draagt nog vele geheimen in zich, niemand weet nog wat materie precies is. Materie op de allerkleinste schaal zou zich volgens de snaartheorie in meerdere dimensies bewegen, zelf zouden we deel uitmaken van een Braan.
Het beeld gaat psychedelische trekjes vertonen er wordt volop gespeculeerd, wat natuurlijk leuk is.
Empirisch onderzoek naar materie op de allerkleinste schalen blijft, onlangs de deeltjesversnellers, vooralsnog totaal onmogelijk.
De onderliggende wis- en natuurkunde van veel theorieën wordt maar door een klein aantal mensen begrepen, en omdat het maar zo’n klein aantal is, is het moeilijk te controleren of en wat er precies begrepen wordt. 



Wij zijn (het resultaat van) onze hersenen, kan zijn, maar misschien toch op een iets andere manier dan sommige hersenonderzoekers nu denken.
Hersenen zijn levende organismen.
Wat mij opvalt is de verbinding tussen elektriciteit en leven.
Reeds Frankenstein voelde dit aan, in films komt zijn monster tot leven onder invloed van elektrische ontladingen.
Bill Bryson schrijft over het innerlijk van een cel,  “Er is alom activiteit en een onophoudelijk gegons van elektrische energie”. Alles gebeurt echter op minieme schaal, zou je echter alle lading in je lichaam optellen, dan zou dat resulteren in een schok van 20 miljoen volt per vierkante meter, evenveel als de lading in de hoofdmassa van een onweersbui. Aldus Bill Bryson in “Een kleine geschiedenis van bijna alles”.
Zelfs de primitiefste wormen hebben zenuwcentra waar elektrische ontladingen plaatsvinden.
Door leven heeft koolstof zich verbonden met elektromagnetisme, vraag me niet hoe en wanneer, volgens mij weet niemand dat precies.
Misschien is leven met nog iets verbonden, op sub atomair niveau, iets waarvan we het bestaan misschien nog niet weten. Uiteraard is dit speculatie.


Electromagnetisme is een proces dat zich op sub-atomair niveau afspeelt.
Het wordt beschreven door de kwantummechanica.
Binnen de kwantummechanica is nog lang niet alles bekend.
Ik vraag mij af of er op dit niveau, als het over levende organismen gaat, niet meer aan de hand is dan alleen het stromen van deeltjes. Een organisme, zou in feite niet meer zijn dan een vogeltje dat beweegt als je er water doorheen pompt maar dan miljoenen malen ingewikkelder.
Uiteraard speelt dit een rol, vurende neuronen doen hetzelfde als computerbytes.




Maar toch zouden er volgens mij ook nog andere, nog niet begrepen processen op het niveau van de kwantummechanica een rol kunnen spelen bij organismen.
Misschien is dat de reden dat het verhaal in de vorige blog een paradox in zich draagt.
Men is niet alleen zonder meer zijn elektronische structuur, maar men voelt zich één met zijn fysiek, dat er na vernietiging daarvan een exact eendere structuur zou voortbestaan, zou een schrale troost zijn. Ook kan een bewustzijn, ondanks dat er elders dezelfde structuur bestaat, maar in één lichaam tegelijk zijn zo blijkt, het is zo lijkt het, materie gebonden.
 
Volgens mij kunnen we nog lang niet beweren dat we van processen op atomaire en nog kleinere schalen alles begrijpen en dat we precies begrijpen wat leven is en hoe de koppeling elektriciteit en koolstof tot stand is gekomen.

Met gewei
Wat niet wil zeggen dat deze blog op één of andere manier gelooft in schepping. Evolutie van materie is volgens mij een perfecte verklaring voor de ontwikkeling van leven.
Vergelijk evolutie met schaken. Er zijn gegeven een situatie bijvoorbeeld honderd mogelijke zetten. Door te denken kies je de beste uit deze honderd zetten.
Zo kent de evolutie ook steeds honderden mogelijkheden voor een gegeven situatie. Met gewei, met slurf, met horens.
Door het “denkproces” van natuurlijke selectie en voortplanting ontstaan de varianten. Evolutie is als het ware een constant voortdurend schaakspel. Daar hoeft geen denkende schepper aan toegevoegd te worden, dat is dubbelop. Bovendien zou dan ook verklaard moeten worden hoe het denken van die schepper dan zou verlopen. Een denkproces zoals wij dat kennen is immers analyseerbaar.
Ook met gewei
Ik vraag me dan ook af wat er mis is met evolutie als verklaring. Als je in een God wil geloven dan kun je evolutie toch zien als de manier waarop hij (het is meestal een mannetje) denkt.
De blog huldigt dus een materialistisch standpunt, maar vermoedt dat de zaken op een dieper en nog lang niet geheel bekend niveau te verklaren zijn.

donderdag 10 oktober 2013

DE PARADOX VAN JANSEN


Mensen die vinden dat de vorige blog echt nergens over gaat hebben het goed begrepen.
Het gaat echt nergens over. 


De zon zwelt op.

Ter illustratie een verhaal:
We schrijven 2000000013ad de mensheid bestaat, na een aantal “bijna zelfuitroeiingen”, tot haar eigen verbazing nog steeds. Wel wordt de zon steeds groter, de zonneschijf zoals die te zien is in de hemel, is inmiddels verdriedubbeld. Tv programma’s zijn niet meer te harden en de politiek heeft er nu echt een rotzooi van gemaakt. Wat betreft het denken is het reductionisme de dominante denkstroming in 2000000013. De mens wordt gezien als een structuur, een informatie houdende, zeer complexe deeltjesstructuur. 

Ook de techniek is twee miljard jaar voortgeschreden.
Het maken van 3d prints van mensen is geen enkel probleem meer. Tot op de kleinste muggenbeet, moedervlek, herinnering, onhebbelijkheid, tot op het kleinste deeltje nauwkeurig kan men mensen uitprinten en wel bliksemsnel en up to date tot op de seconde. Dit doen computers van het type hintler met een vermogen van 10⁵⁰ yottabytes en beheerd door technocraten en artsen. Alleen de grondstoffen, koolstof, kalk, een beetje magnesium etc. stopt men er in en er rolt een mens niet te onderscheiden van het origineel uit. Ook de print onderscheidt zichzelf niet van het origineel, hij heeft immers precies dezelfde herinneringen, gevoelens, gedachten etc. Dit zijn allemaal uitingen van elektrochemische processen die exact gekopieerd worden.
Ingeval van ziekte dan wel onmaatschappelijk gedrag kan hintler de betreffende menselijke eenheid uitprinten, maar dan zonder de betreffende ziekte dan wel onmaatschappelijke neiging.



Hierbij wordt het principe van “substitutie”, vervanging gehuldigd. Het origineel word op het zelfde moment dat de print in werking treedt vernietigd, door onthoofding, uiteraard na plaatselijke verdoving om het origineel zo weinig mogelijk te laten lijden.
Vaak is het nodig om enige overtuigingskracht, druk, of zelfs een lichte vorm van verantwoord geweld om bestwil op het origineel uit te oefenen. Het is echter te duur om ook het origineel te bewaren, vele printen moeten na verloop van tijd als ze opnieuw ziek worden of onmaatschappelijke trekjes krijgen weer ge-reprint worden. Soms veranderen de opvattingen aangaande maatschappelijk gedrag.
Al die originelen bewaren zou veel te duur zijn, ook in 2000000013 moet immers meer dan ooit bezuinigd worden. Bovendien is het een aantal malen voorgekomen dat het enkele origineel, dat aan hintler wist te ontsnappen, de print heeft beschadigd. 

De print, met dus dezelfde herinneringen als het origineel, is echter steevast enthousiast. De ziekte is weg, ze hebben geen pijn meer, ze worden weer als volwaardige leden van de samenleving geaccepteerd. De print herinnert zich dat hij een ogenblik verschrikkelijk maar onnodig bang was voor zijn vernietiging. Dat hij na een raar gevoel aan zijn nek, plotseling tot de orde van de dag overging. Waarbij ziekte en pijn waren verdwenen. Het was toch allemaal voor zijn eigen bestwil, gelukkig hebben de technocraten achter Hintler zijn behandeling doorgezet. 



Uiteraard is het nodig om vergunning voor deze substitutie aan te vragen, om bij een griepje tot meteen tot printen over te gaan, gaat erg ver. Maar ingeval van een blindedarm is het zeker de moeite waard en de meest pijnloze behandeling.  

Op een dag besluit men dat, gezien de zwellende zon, een elite van de aardbewoners op Mars een kolonie moeten gaan stichten. Uiteraard worden er geen miljoen raketten meer gelanceerd anno 2000000013, maar worden de aardbewoners op grote schaal naar Mars geprint, ook nu op basis van vervanging.
Originelen stappen letterlijk doodnerveus hintler binnen, ze voelen kort iets onaangenaams aan hun nek en bevinden zich vrijwel op hetzelfde moment op mars, als print. Zelfs met de vijf lichtminuten tussen mars en de aarde wordt rekening gehouden. 

P. Jansen (P. Johnson) behoort tot de “uitverkorenen”. Doodsbang stapt hij de computer binnen. Op het laatste nippertje weet hij opzij te duiken zodat de onthoofding in de computer mislukt. Met hulp van vrienden weet hij uit de computer te ontsnappen en te vluchten. Nog jaren kon hij in zijn stamkroeg voor “ongeneeslijke romantici” gezeten achter een lekker glas bier, het sterke verhaal vertellen dat er op Mars een gek rondloopt die denkt dat hij P. Jansen is.  



Wat wringt in dit verhaal.
Jansen is niet op twee plekken tegelijk omdat er een exacte kopie van hem rondloopt. P. Jansen die de Hintler binnenloopt gaat gewoon dood als ze hem onthoofden en wordt niet wedergeboren op Mars. Hij heeft terecht doodsangst, Hintler is een moordenaar.
Na zijn ontsnapping is hij gewoon in zijn stamkroeg. Hij gaat gewoon dood en zal niet op mars herrijzen. Al denkt zijn print dat hij een herrezen Jansen is, ook deze print zal nooit bijvoorbeeld op Jupiter herrijzen als men dat wil.
Voor de ik, de Jansen is in het geval dat hij gekopieerd wordt 1+1-1≠1 maar is 1+1-1=0 en is 1+1≠2 maar 1+1 blijft gewoon 1. Dit weet hij als het ware a priori, daar is geen bewijs voor nodig.
De paradox van Jansen is dat ondanks het feit dat hij gereconstrueerd wordt, hij toch sterft.

Reductionisten zullen dit bestrijden, een mens is een samenstel van deeltjes, elektrochemische processen en is in principe gewoon te kopiëren. Toch zien ze iets over het hoofd, liever gezegd ze zien “niets” over het hoofd.
Misschien lopen er op dit moment al exacte kopieën van ons rond. Als ruimte en materie oneindig is dan valt dat wiskundig aan te tonen. Het aantal mogelijke combinaties is niet oneindig. Nietzsche sprak over ewige wiederkehr des gleichen. Ook natuurkundigen bijvoorbeeld Brian Greene The Hidden Reality: Parallel Universes and the Deep Laws of the Cosmos (vertaald in het Nederlands), (2011), onderbouwt het feit dat er kopieën van ons zouden kunnen bestaan in parallelle universa.



En toch bevinden we ons maar op één plaats en vinden geen troost bij het feit dat er wellicht exacte kopieën van ons bestaan. 
Misschien dat er wel helemaal geen niets bestaat buiten ons, maar wel in ons.
Tegen de achtergrond van hetgene waar we het meeste angst voor hebben, het niets, de dood, verschijnen onze gedachten.

Valt hier meer over te zeggen, klopt het reductionisme niet?

dinsdag 17 september 2013

IK EN DE WERELD


In de vorige blog is dus sprake van een homunculus. De hersenen nemen de prikkels van de zintuigen waar, maar wie of wat neemt deze prikkels waar? Aldus ontstaat het probleem van een waarnemend mensje in de mens, waarin echter dan ook weer een waarnemend 2e mensje moet zitten om waar te nemen wat de 1e homunculus waarneemt etc. etc., een droste effect.



Dit probleem wordt terzijde geschoven door het ik-bewustzijn als illusie te beschouwen.
Doordat verschillende hersendelen met elkaar communiceren ontstaat de illusie van de persoonlijkheid, het “ik” (Dawkins of Dennett of zo?).
Helemaal eerlijk is deze oplossing niet.
 
 

Om dit met een beeld te illustreren.
Je hebt bijvoorbeeld de overheid. Die overheid zit in verschillende gebouwen door het hele land verspreid. Je hebt het rijk, gemeenten, het parlement, de rechtelijke macht etc. etc.
Al deze instanties communiceren met elkaar en vormen zo de overheid, toch zitten ze door het hele land verspreid, vaak honderden kilometers van elkaar verwijderd en hebben ze verschillende functies.
In dit geval spreken we dan toch ook niet van de illusie van een overheid. Als we het puur fysiek zouden beschouwen zouden we inderdaad van een illusie van de overheid moeten spreken maar “uitzoomend” zoals we met John die frambozenijs eet deden, is er toch duidelijk sprake van de overheid. Het samenhangend geheel van beheers- en bestuursorganen maken dat wij een overheid ervaren. De overheid kun je bestuderen en bezit bepaalde eigenschappen. Hetzelfde geldt volgens mij ook met het (ik)bewustzijn, hoe het dan ook tot stand komt in de hersenen. 


Afzonderlijke sterrenstelsels
 
De natuur is dol op kleine zelfstandigen en heeft de neiging om zich in relatief kleine structuren te ontwikkelen. Materie ontwikkelt zich door kernfusie in miljarden afzonderlijke sterren. De meest ingewikkelde constructies als bijvoorbeeld het oog of de hersenen ontwikkelen zich door evolutie in afzonderlijke levensvormen.


Een nevel

Het is dus niet in één grote plasmawolk of zo waarin de natuur zijn “ding doet”, nee, chemische ontwikkelingen vinden plaats in afzonderlijke sterren, in sterrenstelsels en voor zover we weten, omdat we alleen de aarde kennen, biochemische ontwikkelingen in afzonderlijke biologische organismen.
De bindende kracht die sterren bijeenhoudt is de zwaartekracht, zodanig dat in het binnenste van een ster kernfusie ontstaat en bij grote sterren na ineenstorting een zwart gat.

Op een ander niveau en totaal verschillend, (let op dat ik dat hier steeds benadruk) is het in de biologie ook noodzakelijk dat er iets bestaat dat het organisme als organisme van dieren en mensen zoveel mogelijk in stand houdt en dat is het “ik”. 



Leven begon als een kleine structuur van georganiseerde materie, in staat om zichzelf te reproduceren (het is niet mijn bedoeling om hier een sluitende definitie van leven te geven). Na verloop van tijd werden de structuren ingewikkelder en evolueerde een mechanisme om de structuren bijeen te houden. Uiteindelijk resulteerde dit mechanisme in de “ik-persoonlijkheid/bewustzijn”. Het organisme stelt zich als entiteit tegenover de wereld. Dit geschied simpel bij eencelligen en insecten, steeds gecompliceerder bij hoger ontwikkelde zoogdieren waaronder de mens.
We stellen ons tegenover de wereld, voortdurend. We zeggen ik loop, ik ben bang, ik heb honger etc. We stellen ons zelfs tegenover onze eigen gedachten, we zeggen immers ik denk en tegenover onze medemensen. Dit stellen tegenover de wereld is de kern van het (zelf)bewustzijn.

We onderscheiden “ik” en wereld. Een onderscheid kun je echter alleen in een soort “ruimte” maken. Als er twee dingen te onderscheiden zijn moet er een fractie daarvoor een “keuzeruimte” zijn en dat is “niets”. De wereld is begrensd, het ik is begrensd, we denken in termen van binnen en buiten, dingen die niet begrensd zijn, zijn immers niet bepaalbaar. Zo onderscheiden we steeds de wereld en onszelf vanuit het niets, we delen toe "wereld/ik" met het niets als basis. Waarbij de neiging dan bestaat om zoveel mogelijk aan “de wereld” toe te schrijven zodat het ik in feite samenvalt met het niets. We stellen ons vóór onze gedachten, we zeggen immers ik denk.



Als we immers iets aan de wereld toeschrijven, kunnen we het bestuderen, observeren, we zijn er niet schuldig over, het overkomt ons. We hebben er macht over, machtswil drijft ons ertoe om de ons vóór de wereld te stellen. Vandaar dat we steeds “naar buiten” denken zodat er “binnen” in feite niets overblijft, van binnen zijn we leeg, een vacuüm waarin de buitenwereld kan verschijnen als op een lichtgevoelige plaat. Ik bedoel hier dus de algemene existentie, er bestaat een uitdrukking “ik voel me leeg van binnen” maar dat is iets heel anders (hoewel).



We nemen waar vanuit het niets, dat op zijn beurt ons laat verschijnen voor onszelf, we observeren immers onszelf, we beschouwen ook onszelf als een van buiten komend verschijnsel. We beoefenen (soms) zelfbeheersing.
Aldus komt het niets, het eerder besproken schilderijdoek in de wereld. Ik weet niet wie, maar iemand heeft ooit gezegd, met de mens komt het niets in de wereld. Het is dus niet een eindeloze reeks homunculi die de wereld observeren, uiteindelijk kijkt het niets naar de wereld, misschien wel hetzelfde als een eindeloze reeks.

Omdat de natuur dus zo nodig met “kleine zelfstandigen” wil “werken” is er het niets ontstaan, dat bovendien nog uitermate angstaanjagend is, zeg nu zelf, als het ik wegvalt valt de wereld weg en wat blijft er dan over. En dat niets zijn we dan ook nog uiteindelijk zelf. We doen over het algemeen alles om onze structuur instant te houden uit angst voor het niets, wat dat betreft is de natuur succesvol.
 
 
 
Nu is het de “kunst” om dit “niets”, dit "steeds wijkende" niet te "zien" als een horror vacui maar als een soort schilderijdoek, een oorsprong, grond  en mogelijkheid. Bovendien delen we dit schilderijdoek met velen, het is ons aller grondtoon als mens en dier.

Hierover de volgende keer meer.

 

zaterdag 7 september 2013

OVER NIET BESTAANDE MANNETJES


 
 
Op een klassiek schilderij zie je objecten. Het schilderdoek speelt geen rol. Uiteindelijk zijn alle objecten te herleiden tot lijnen en kleuren. De Nachtwacht toont Frans  Banninck Cocq, de schutters, de vaandels, maar nergens speelt het doek zelf een rol. Alles is samengesteld met kleuren en lijnen, de figuren bestaan in relatie tot elkaar.
Het is dus niet zo dat er schilderijdoek is en dan een schutter, schilderijdoek en dan een vaandel etc. etc. Van dichtbij zie je kromme en rechte lijnen en kleuren, van veraf bestaat het tafereel als één dynamisch geheel.
 
 
 
In de werkelijke wereld bestaat ook alles in verhouding tot andere dingen. Je hebt niet eerst niets en dan een boom, eerst niets en dan een fiets. Nee, een boom is een boom omdat het geen tafel, fiets, auto etc. etc., maar een ding met bladerkruin etc. Alles is iets dat miljarden dingen niet is. Datgene waaruit de dingen eigenlijk voortkomen, de substantie, het onderliggende blijft als een schildersdoek in een schilderij verborgen (Spinoza dacht ik). Hoe verder je uitzoomt hoe meer je de samenhang en dynamiek waarneemt, het onderliggende schildersdoek blijft echter verborgen.
 
Het tegendeel van alles is niets. Dus het tegendeel van groot is niet klein maar “niets”, van licht is niet donker maar “niets”. Licht en donker bijvoorbeeld zijn slechts schijntegenstellingen omdat we ons niets niet voor kunnen stellen. Alles verschijnt dus tegen de achtergrond van niets, dat als zodanig dus op een schilders doek lijkt.
Uiteindelijk zijn alle bestaande dingen waarschijnlijk tot verhoudingen terug te voeren uit te drukken in cijfers. Ook materie bestaat uiteindelijk uit in een bepaalde frequentie trillende één dimensionaliteit (snaren) zo is de opvatting, precies weten we het nog niet . Aldus zijn we terug bij Pythagoras. Alles is uiteindelijk te vatten in getallen. Alles is echter omgrensd, eindig. Bij oneindigheid verliezen getallen hun waarde, oneindig + 1 is onzin. Alles wordt omgrensd door niets. 

De mens is passiever dan hij zelf doet voorkomen zo hebben we in de vorige blog gezien. We werpen geen blikken maar het licht dringt gewoon bij ons binnen. Zo denken we niet maar overkomen onze gedachten ons. Evenals licht nemen we onze gedachten waar. Als we besluiten aan iets te denken dan is dat besluit ook een gedachte die ons “te binnen”schiet, een gedachte die uiteindelijk wordt waargenomen. Ook vroeger werden gedachten gezien als van buiten komend, de goden spraken, de Muzen inspireerden.
We zijn niet onze hersenen, we nemen de activiteiten van onze hersenen uiteindelijk waar. We kijken als het ware, soms met aanzienlijke ontevredenheid, tegen onze eigen hersenen aan.


Muzen

Ergens zit iets dat als het ware onderuitgezakt passief naar de film van de eigen hersenen zit te kijken, een homunculus (mannetje). Bij ADHDers is het een onrustige film, bij dementen is het een steeds warriger wordende onsamenhangende film. Met het klimmen der jaren wordt de film steeds ijler, steeds dunner, de zelf gedachteloze beschouwer van alle gedachten blijft echter.
 
 
 
Datgene dat waarneemt, het mannetje, blijft uiteindelijk in het duister. Vergelijk het met een zwart gat, hoewel ik me er van bewust ben dat een zwart gat als fysisch verschijnsel iets totaal anders is. In een zwart gat is de ruimte tot in het oneindige gekromd, licht komt er niet meer uit.
Als je vanuit een zwart gat naar buiten zou kijken zou je je op een enorm licht punt bevinden, alle licht van de wereld valt om zo maar te zeggen naar binnen. Het centrum bereik je echter niet, het is een singulariteit, een punt waar de ruimte tot in het oneindige gekromd is, de wiskunde breekt er op. Het blijft alle licht opzuigend zelf in het duister.


Zwart gat

Uiteraard zit er geen fysieke singulariteit in ons, maar wel een waarnemend “denkbeeldig”onzichtbaar punt waartegenover alles verschijnt alvorens in razendsnelle relaties met elkaar te schieten, te worden geklasseerd en dat doen onze hersenen. In feite bestaat dit punt niet, het is een “niets” dat alles op kan nemen, benoemen, juist omdat het zelf niets is, een stuk schilderijdoek. Het negatief waarop alles kan verschijnen maar dat zelf niet kan verschijnen. Datgene dat al onze gedachten waarneemt maar zelf niet gedacht kan worden.
Dit niets is trancedent, het bestaat niet in deze wereld anders was het zelf iets, geen vacuüm meer en kon het niet meer waarnemen.
Een ander onzichtbaar punt is het heden, daarover wellicht meer in een volgende blog.

 

 

 

 

zondag 18 augustus 2013

BLIKKEN WERPEN EN KOU MAAKTE DE PUINGUÏN


Wij zien onszelf als tegenover de wereld staan. Wij zijn ons bewust in de wereld, we werpen blikken en luisteren.
Toch klopt deze visie niet. We werpen geen blikken, het licht dringt bij ons naar binnen, of we willen of niet. Sommige dingen zouden we veel liever anders willen zien. Ook luisteren we niet, maar geluid dringt ook maar al te vaak ongewild naar binnen. Bijvoorbeeld in de vorm van geluidhinder of iets wat we niet willen horen.



We kunnen ons bewustzijn niet (nauwelijks) uitschakelen, we bezitten niet ons bewustzijn, ons bewustzijn bezit ons. Door ons bewustzijn komt de wereld naar binnen, het is de wereld.
Binnen in ons om deze beeldspraak te gebruiken, is leegte, vacuüm, waardoor er ruimte is voor de wereld om door de gaten van onze oren en ogen naar binnen te treden. We leven de wereld, alles is met alles verbonden. Als we bijvoorbeeld een boom waarnemen, of een piano zijn daar in een split second duizenden associaties mee verbonden. We leven niet in de wereld, we leven de wereld. De wereld is bewust in ons. We zijn een kruispunt van gebeurtenissen.



Voor evolutie geldt iets soortgelijks. Het is niet de pinguïn die die zich aan de kou aanpast, de pinguïn werd door de kou en miljarden andere factoren gecreëerd. Zo heeft de hele wereld met miljarden factoren ons bewustzijn gecreëerd. 

Maar het merkwaardige is nu dat er juist niets is gecreëerd. Er zit als het ware een soort vacuüm in ons binnenste waarin de wereld als het ware binnenvalt, inclusief onze gedachten.
Je zou dit aan de hand van het schilderij The human condition van Margritte kunnen demonstreren.


 
The human condition 1933

In de geschilderde wereld neem je geen doek waar, er zijn bomen, planten maar geen doek. Toch is het er, anders kon de geschilderde wereld niet bestaan. Het schilderij beeldt eigenlijk een geschilderde wereld in een geschilderde wereld af en houdt ons zo een spiegel voor. In onze wereld is ook geen doek waarneembaar, maar toch moet er iets zijn tegen welke achtergrond alles verschijnt. We nemen dat niet waar, het is niets. Toch bestaat het anders zou de wereld niet bestaan. Zou er nog een hoger niveau zijn waarin datgene tegen welke achtergrond onze wereld verschijnt zichtbaar is? Dat is een vraag die het schilderij stelt (aan mij althans). Datgene waartegen de wereld verschijnt voelen we aan als in ons aanwezig, technisch wetenschappelijk gezien klopt dat echter niet. In het heelal bestaat geen niets, het is niet denkbaar en als we het dan al denken is het iets. Soortgelijke dingen worden vreemd genoeg ook van Tao gezegd, "De essentie van Tao is dat het niet uitgedrukt kan worden. Als men denkt het wel te kunnen uitdrukken, dan is het niet Tao." Tao is immers vormloos en niet gebonden aan een vorm (wikipedia)



In de vorige blog hebben we gezien dat een microwereldwezen alles tot in de details waar kan nemen en beschrijven. Er moet echter heel wat gebeuren en ze moeten enorm veel weten vóór ze een frambozenijsje etende John, compleet met de bijbehorende emoties te beschrijven.
Het beschrijven van de frambozen etende Joh is een kwestie van uitzoomen. Voor ons geldt hetzelfde, we weten niet van welke structuren we deel uitmaken omdat we niet uit kunnen zoomen. Misschien maken we wel deel uit van één groot kosmisch frambozenijs eten.
Het ontdekken van ons schilderdoek vergt ook uitzoomen, maar dan op een andere manier, het lijkt makkelijker maar het is in feite moeilijker. We moeten als het ware naast onze wereld gaan staan, uitzoomen is niet genoeg. Pas dan weten we waar we deel van uitmaken.



De wetenschap zoomt steeds verder uit, maar hoe kunnen we naast de wereld gaan staan.
Hoe doen we dat? Heel simpel, dat doen we al, de hele dag, maar toch kunnen we juist daarom niets waarnemen.
 

Wordt vervolgd.