Translate

zaterdag 29 augustus 2020

 

STEL JE VÓÓR

 Wat ligt ten grondslag aan het bewuste subject? Bij het beantwoorden van deze vraag ga ik uit van het “cogito ergo sum” van Descartes. In het verlengde hiervan bespreek ik onder meer aan de hand van citaten de ideeën van Rousseau, die  expliciet voortbouwt op de bevindingen van Descartes. Rousseau ontdekt “een actieve kracht”[1], een wil voorafgaand aan het denken, als grondslag van het subject. Daarop voortbouwend kan men volgens mij stellen dat de werking van deze actieve kracht pas mogelijk is door ruimte-tijdsbeleving[2]; de uiteindelijke grondslag van het subject en het bewustzijn.

 Descarte’s uitgangspunt is: “Denken? Hier vind ik het: het denken bestaat; dit is het enige dat niet van mij kan worden afgenomen. Ik ben, ik besta dat is zeker. Maar hoelang? Natuurlijk zolang ik denk; want het zou wel eens kunnen dat ik plotseling helemaal ophoud te bestaan, als ik ermee ophoud enige gedachte te hebben“. Hij stelt “…ik ben dus in stricte zin alleen maar een denkend ding .. .”[3]. Ik besta dus inzoverre ik denk. Denken is hier substantieel, ik ben een denkende substantie, een res cogitans[4].

 Descarte’s visie is het startpunt voor Rousseau. In zijn roman Emile voert Rousseau een Savoyardse priester op die in een staat van onzekerheid en twijfel belandt, “door Descartes als essentieel beschouwd in de zoektocht naar de waarheid”[5]. De priester vraagt zich af wie hij is en waarop zijn oordelen gebaseerd zijn. “Ik besta en heb zintuigen waarmee ik indrukken ontvang. Dit is de eerste waarheid die mij treft en ik ben gedwongen hem te accepteren[6]. (…) Ik neem duidelijk waar dat de indruk, die in mij is, en de oorzaak of het object daarvan dat buiten mij is, verschillende dingen zijn. Dus niet alleen ik besta, maar andere entiteiten bestaan ook, althans, de objecten van mijn zintuigen; en zelfs als deze objecten alleen maar ideeën zijn, dan zijn die ideeën niet ik[7]. (…) Ik ben nu even overtuigd van het bestaan van het universum als van mijzelf. Vervolgens neem ik de objecten van mijn ervaringen in ogenschouw en constateer dat ik het vermogen heb ze met elkaar te vergelijken, zo neem ik waar dat ik begiftigd ben met een actieve kracht waarvan ik me voorheen niet gewaar was”[8].

 Let op de terloopse, maar voor het begrip van Rousseau’s gedachtengang cruciale opmerking aan het einde van dit citaat, “waarvan ik me voorheen niet gewaar was”. De Savoyardse priester heeft zichzelf onderscheiden van het universum waarna hij pas ontdekt dat hij een onderscheidend vermogen heeft als actieve kracht. Met betrekking tot deze kracht was er een “voorheen”, deze bestond dus al vóórdat hij zich hiervan gewaar werd en wel bij het onderscheiden van “ik en niet ik”. Het gewaarworden kwam daarna, er moet immers eerst een “zich” zijn alvorens “zich gewaarworden” mogelijk is. De onderscheidende activiteit van het prebewust stellen van zichzelf door het onderscheiden tussen “ik” en “niet ik” ligt ten grondslag aan de eveneens onderscheidende activiteit van het bewust onderling kunnen vergelijken van de objecten in de wereld. Na de ervaring van zichzelf en de wereld blijkt het bovendien een vrij aanwendbaar vermogen. Hij schrijft “Hoewel ik gedwongen ben om al dan niet te ervaren, ben ik vrij om datgene dat ik ervaar meer of minder te onderzoeken”[9].

Rousseau ziet het onderscheidend vermogen als de kracht om het zijn te verstaan “Ik zie het zo, het onderscheidend vermogen van een actief of intelligent wezen is de kracht om het volgende woord te begijpen “is”[10].

Volgens Safranski draait Rousseau Descarte’s cogito ergo sum om tot “ik ben dus ik denk”. Rousseau ontdekte volgens hem een “fundamenteel activisme dat de waarneming en het kennen pas op gang brengt”. Safranski vervolgt: “Ook al vereist de logica tussen twee voorstellingen een nog zo dwingend verband, ik moet het tot stand willen brengen[11]. Er is tussen twee punten geen rechte lijn, tenzij ik haar trek”[12].

 

Is dit activisme waarover Rousseau spreekt fundamenteel? Het tot rechte lijnen kunnen verbinden van punten door de meetkunde veronderstelt ruimtebesef, begrip van opeenvolging van getallen en algebra veronderstelt tijdsbesef. Zonder ruimte en tijdsbesef/beleving kan men zich niet stellen ten opzichte van de wereld, die in onze beleving altijd ruimte- en/of tijd gerelateerd verschijnt[13].

Is ruimte- en tijdsbeleving noodzakelijk  voor bewust denken?

Het onderscheiden tussen opeenvolging van ervaring en ervaring van opeenvolging kan deze vraag wellicht verhelderen[14]. Neem als voorbeeld muziek.

Door tijdsbeleving worden muzieknoten als het ware in elkaar verstaan tot een muziekstuk. Als we alleen opeenvolgingen van ervaringen zouden hebben, dan zou elke noot afzonderlijk beleefd worden. Muziek zou onbegrijpelijk zijn. Elke noot draagt immers een deel van het gehele muziekstuk. Een muzieknoot refereert aan de voorbije maar ook aan de te verwachten komende noten, we beleven muziek als een “samenhangend geluiden-samenstel”  dankzij perceptie van verleden, heden en toekomst[15].

Wat voor muziek geldt, geldt ook voor het denken. Elke gedachte draagt, door tijdsbeleving, een deel van geheel in zich, we kunnen op onze afzonderlijke gedachten reflecteren in het kader van een samenhangend gedachtencomplex, een “samenhangend denk- en ervaar-samenstel”. Reflectie van gedachten op- en in elkaar is een voorwaarde voor zelfbewustzijn, het zichzelf als een eenheid ervaren, de essentie van een subject.

 Wat is het verschil tussen ruimte- en tijdsbeleving en ruimte en tijd als zodanig? Het is onmogelijk om uit onze ruimte-en tijdsbeleving te stappen en vanuit een Archimedisch punt te vergelijken met (al dan niet bestaande) objectieve ruimtetijd buiten onze beleving[16]. Dat laat ons bewustzijn niet toe (geen moment), tijdsbeleving is een noodzakelijke voorwaarde voor bewustzijn en andersom. Uiteraard leveren natuurwetenschap, astronomie en kosmologie wél informatie over ruimtetijd, maar daarbij gaat het om deduceren en induceren, wat alleen mogelijk is vanuit ons eigen perspectief. Bovengenoemd Archimedisch punt  is “onvoorstelbaar”, het zou een God’s eye view vereisen zoals Descartes in zijn tijd nog kon aanwenden, of een hogere dimensie, maar die zijn eveneens niet voorstelbaar[17]en bestaan misschien alleen in de wiskunde. We kunnen ons immers pas als subject stellen als er iets is “waarvóór” we ons in tijd en ruimte kunnen “stellen”. Zowel het begrip “vóór” als het begrip “stellen” in het woord “voorstellen” bergt impliciet een tijd- dan wel ruimte-aspect in zich. 

Hier is de grens van het denken en willen bereikt[18]. De actieve kracht, waarvan de Savoyardse priester zich gewaar werd en die hem in staat stelde zichzelf van de wereld te onderscheiden en de objecten van zijn waarnemingen te vergelijken, werkt alleen in het kader van ruimte- en tijdsbesef. Dit moet dan ook tegelijk met de actieve kracht aanwezig zijn.



[1] Jean Jacques Rousseau, Emile, Dover Publications, inc Mineola, New York 2013. p. 279.

[2] Descartes kende alleen res-extensa, hij ontkende het bestaan van lege ruimte .

[4] Ibid AT78.

[5] Jean Jacques Rousseau, Emile, Dover Publications, inc Mineola, New York 2013. p. 275.

[7] Ibid. p. 278.

[8] Ibid. p. 279.

[9] Ibid. p. 280.

[10] Ibid. p. 279.

[11] De wil speelt bij Rousseau een heel andere rol dan bij Descartes. Dit thema zou een aparte paper rechtvaardigen.

[12] Rüdiger Safranski, Arthur Schopenhauer, de woelige jaren van de filosofie, 4e druk Atlas/Vertaalgroep Bergeyk 2010. 160.

[13] Ik spreek hier over ruimte- en tijdsbeleving. Ruimte en tijd echter zijn met elkaar verweven zo leert de relativiteitstheorie. Derhalve gaat het hier over één beleving van ruimtetijd. In de tijd van Rousseau uiteraard onbekend.

[14] Stanford Encyclopedia of Philosophy, Temporal Consciousness, revision 2017. pag. 6.

[15] Shaun Gallagher & Dan Zahavi, The Phenomenological Mind, 2e druk Abingdon 2012; hoofdstuk getiteld A phenomology of time-consciousness”.

[16] Kant verwierp dit idee.

[17] Hoe zou een voorwerp eruit zien dat een driedimensionale schaduw werpt? Alles immers een dimensie extra.